Diplomafabriek

Hieronder een ingekorte versie van een artikel van historicus en publicist Rutger Bregman over de vermarkting van de universiteit, gepubliceerd 13 april 2013 in de Volkskrant onder de titel ‘De prof wint het van de prof’.

Ik was zijn boekje toevallig tegengekomen – ‘Van het universitair front geen nieuws’, zo heet het pamflet dat Chris Lorenz, hoogleraar geschiedfilosofie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, precies twintig jaar geleden schreef. Het is een haarscherpe analyse van hoe de bezuinigingen en de ‘ondernemende universiteit’ het onderwijs zouden gaan uithollen. Lorenz legde uit waarom het tij voorlopig niet zou worden gekeerd. En toen we elkaar ontmoetten zag hij daar nog steeds geen reden voor. ‘Boy, do I hate being right all the time.’

Een paar dagen later barstte de bom aan zijn eigen universiteit. De rector van de VU, Lex Bouter, stapte ineens op. Er was een verpletterend rapport verschenen: terwijl het aantal studenten was geëxplodeerd (van 15.000 naar 25.000), was de kwaliteit van het onderwijs achteruit gehold. In de media ging het vervolgens over de verantwoordelijken: het college van bestuur (dik betaald en van het onderwijs vervreemd) en de raad van toezicht (had weer eens zitten slapen).

—-
diplomafabriek————————————

Maar na lezing van het manifest van Lorenz dringen zich andere vragen op. Wat als het bestuurlijk falen niet de ziekte, maar het symptoom is? Wat als de teloorgang van de Vrije Universiteit voortkomt uit de manier waarop we het hoger onderwijs hebben ingericht? En wat als de problemen aan de VU een voorbode zijn van wat zich aan alle universiteiten dreigt af te spelen? ‘Kwaliteit is verworden tot kwantiteit, daar komt het steeds op neer’, aldus Lorenz. Het aantal studenten steeg verder van 160.000 in 2000 naar ruim 245.000 in 2011, terwijl het aantal medewerkers gelijk bleef. Het aantal studenten per docent is sinds 2000 bijna verdubbeld, ook omdat er maar liefst 4000 fte’s aan onderwijs in onderzoek zijn omgezet. Ten opzichte van de jaren tachtig zijn de uitgaven per student meer dan gehalveerd, terwijl de overhead is blijven groeien. Meer dan 30 procent van het budget gaat tegenwoordig naar ‘ondersteunende diensten’. Tussen 2005 en 2010 steeg het aantal managers met 18 procent en nam het aantal pr-medewerkers met 34 procent toe.

Bron van alle kwaad? Je zou zeggen: de op hol geslagen managerscultuur. Ontsla de bestuurders van dienst, en het probleem is opgelost. Maar Lorenz wijst op een diepere oorzaak: het betalen voor kwantiteit in plaats van kwaliteit. Begin jaren negentig begon het, toen links met zijn verheffingsideaal (zo veel mogelijk jongeren naar de universiteit) en rechts met zijn nutsfixatie (de economie heeft meer hoogopgeleiden nodig) een monsterverbond aangingen. Sindsdien wordt het budget van een universiteit bepaald door zijn productie. Lorenz: ‘Universiteiten zijn steeds meer gaan tellen en meten: aantallen studenten, diploma’s, publicaties en promoties. Er zijn wel zogenaamde kwaliteitscontroles, maar in het onderwijskundig jargon staat kwaliteit inmiddels gelijk aan rendement. Kwaliteit is kwantiteit.’

Aan steeds meer faculteiten wordt het rendement van ieder vak afzonderlijk gecontroleerd. De docenten van te moeilijke vakken moeten zich vervolgens verantwoorden. De ‘deelprojectgroep struikelvakken’ van de Open Universiteit legt in universiteitskrant Modulair uit dat de te moeilijke vakken studenten ‘remmen in hun ambitie en motivatie’. Dat is ‘frustrerend’ en schadelijk voor ‘de goede reputatie van de instelling’. En niet te vergeten: ‘een vermindering van de cursusafzet en het aantal diploma’s heeft ook financiële gevolgen.’

Dit soort maatregelen hebben het studietempo flink opgekrikt. Van studenten die in 2002/2003 begonnen had 42 procent na vier jaar een diploma; van de groep uit 2008/2009 was dat al 57 procent. Inmiddels heeft Nederland het hoogste aantal hoogopgeleiden van Europa. Het leenstelsel – ‘studeren is investeren’ – is het sluitstuk in alle pogingen het studietempo op te krikken. Het stuurt studenten ook meer in de richting van studies die ‘renderen’ in deze ‘kenniseconomie’. Lenen impliceert immers dat de kosten van het onderwijs later moeten worden terugverdiend.

De gevolgen van 50 procent meer studenten in slechts tien jaar tijd laten zich raden: het niveau is omlaag gegaan. ‘In de afgelopen tien jaar durfde ik de moeilijkere vragen niet meer in een examen op te nemen: ik moest immers op het slagingspercentage letten’, zei hoogleraar chemie Gerard Fleer bij zijn vertrek in 2007. Oud-minister Ritzen, in 2007 rector van de Universiteit Maastricht, wimpelde zulke klachten af als ‘oudemannenpraat’. Tegelijkertijd begon zijn universiteit met strengere selectie aan de poort. Het kabinet wil dat nog eenvoudiger maken. Utrecht begint volgend collegejaar al met een verplichte ‘matchingsprocedure’, waarin studenten worden bevraagd op hun studiekeuze. Lorenz: ‘Maar nu is het nog dweilen met de kraan open. Je lost dit probleem pas op als je het bij de wortel aanpakt: stop met het betalen voor kwantiteit alleen.’

Dat zit er voorlopig niet in. Het kabinet zet juist verder in op prestatiebekostiging, waarbij ‘prestatie‘ wordt gedefinieerd als minder uitval en meer rendement. Zelfs voor ‘excellentie’ zijn er inmiddels quota – de Universiteit Utrecht heeft de minister beloofd dat in 2016 minstens 12 procent honoursonderwijs volgt. De ‘excellente’ student moet daar wel een hoger collegegeld voor gaan betalen.

Niemand heeft de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar beter samengevat dan de voorzitter van de Universiteit Utrecht, Marjan Oudeman (ex-Akzo Nobel, NS, ABN Amro). Een paar jaar geleden zei ze in Buitenhof dat ze ‘net zo goed een multinational op het gebied van koekjes bakken’ zou kunnen leiden. Oudeman studeerde niet in Utrecht, gaf nooit onderwijs en deed nooit onderzoek. De sollicitatiecommissie vond het vooral belangrijk dat iemand met ‘externe ogen’ naar het ‘wetenschappelijk bedrijf’ in Utrecht zou kijken.

Rest de vraag nog: wie is er schuldig aan dit alles? De doorgedraaide managers? De slapende toezichthouders? De overwerkte academici? Misschien wel geen van allen. Zij doen immers precies wat de overheid van hen vraagt. Als je met steeds minder budget steeds meer studenten moet afleveren, dan is schaalvergroting en diploma-inflatie het enige antwoord.

De bittere ironie zag Lorenz al twintig jaar geleden in. Het linkse verheffingsideaal van ‘hoger onderwijs voor velen’ gaat juist als sociale sorteerbak fungeren. De toevloed van studenten holt de kwaliteit van het onderwijs immers uit, waardoor er een nieuwe markt ontstaat voor kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Het leenstelsel, het hogere collegegeld voor Honours Classes en de dure University Colleges zorgen ervoor dat dit ‘excellente’ onderwijs meer en meer een privilege wordt voor de vermogende student. Eén ding is immers niet veranderd aan het universitair front: goed onderwijs kost geld. Veel geld.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s