‘Ja-knik-recht’ versus ‘soft power’

Vorige maand berichtte PhDoc over de afwijzing van de kandidaatstelling van een buitenpromovendus voor de FR Geesteswetenschappen. Dat nieuws werd onlangs opgepikt door de Mare (zie het artikel hier), in een stuk waarin diverse leden van de FR Geesteswetenschappen aangaven wat volgens hen de reden was voor de geringe belangstelling van medewerkers voor een zetel in de Faculteitsraad. De raadsleden noemden de hoge werkdruk – volgens de personeelsmonitor een hardnekkig probleem binnen de Universiteit Leiden – als voornaamste oorzaak; daarnaast speelt het volgens hen mee dat deelname aan de universitaire medezeggenschap weinig doet voor een academisch CV. In het huidige klimaat draait het om publiceren, publiceren, publiceren, en vanuit dat gezichtspunt is alle tijd die je in medezeggenschap steekt verloren tijd.

—-
Door Linda Bleijenberg
—-Linda Bleijenberg—-
Linda Bleijenberg is promovendus bij Geesteswetenschappen. Vanaf juni 2013 zal ze namens PhDoc zitting nemen in de UR. Op deze blog deelt ze haar observaties op het gebied van medezeggenschap, en het Leidse promovendibeleid.
————————————

Maar dat zijn niet de enige redenen: het imago van de faculteitsraad speelt ook mee. Zo bestaat er in de Leidse wandelgangen de indruk dat een Faculteitsraad niet veel meer heeft dan ‘ja-knik-recht’, zoals een collega het ooit wat geringschattend formuleerde. Het moet ook gezegd worden dat de tegemoetkoming die er vanuit de Universiteit tegenover dit belangrijke werk staat zeer matig is: voor het schamele bedrag van € 150,- wordt een lid van de FR Geesteswetenschappen geacht negen vergadercycli voor te bereiden en bij te wonen. Daar is de tijd die het kost om contact te houden met de achterban nog niet eens bij inbegrepen, zeker op een gefragmenteerde faculteit als die van Geesteswetenschappen geen sinecure.

Raadsleden hebben dus andere motieven om zich kandidaat te stellen. Dat kan het algemeen belang van een flinke groep medewerkers zijn, maar bijvoorbeeld ook meer persoonlijke drijfveren, zoals bezorgdheid om de eigen baan, of om het voortbestaan van het eigen kleine en dus bedreigde instituut, of vanuit rancune om de laatste reorganisatie. Ook die tweede groep, vaak met one-issue-agenda’s, komt zonder problemen in de raad, omdat er nauwelijks andere kandidaten zijn. Een gerelateerd probleem is de representatieve samenstelling van de raad. Idealiter is elk instituut binnen een faculteit vertegenwoordigd, met daarnaast zetels voor het ondersteunend personeel en voor promovendi; maar bij een gebrek aan kandidaten is die evenredige vertegenwoordiging ver te zoeken. Een en ander heeft onvermijdelijk tot gevolg dat een FR soms steken laat vallen. Een voorbeeld daarvan dook op tijdens de discussie over de opheffing van Joods-Hebreeuwse studies, toen de FR Geesteswetenschappen zonder veel omhaal haar goedkeuring gaf voor een zeer discutabele maatregel die later op het bord van de UR terecht kwam.

Tegelijkertijd is er aan de Nederlandse universiteiten als geheel een groeiend besef dat de belangen van staf en studenten niet perse overeenkomen met de belangen van hun bestuurders. Aan de Groningse RUG zijn inmiddels al wat alarmbellen gaan rinkelen: daar kondigde de Letteren-faculteit recent aan diverse unieke leerstoelen te willen schrappen, omdat die te weinig rendabel zouden zijn. Kleine talenstudies liggen sowieso in heel Nederland onder vuur, omdat ze in het huidige bestuursmodel, gedicteerd door financiële overwegingen, lastig te verantwoorden zijn. Het leidde begin dit jaar tot de oprichting van het landelijke Platform Talenstudies, dat via tumblr, facebook en twitter verslag doet van ontwikkelingen op dit gebied.

Ook aan de Amsterdamse VU, waar de recente bestuurscrisis de gemoederen flink bezig houdt, zijn medewerkers en studenten zich bewust van de noodzaak tot alertheid. Op de website van de ‘Verontruste VUers’ wordt gesteld dat de ‘vermarkting’ van het academisch onderwijs alle Nederlandse universiteiten aangaat, en dat er een fundamentele omslag nodig is. Minister Bussemaker lijkt zich ook te realiseren dat er iets moet gebeuren: vorige maand kondigde ze in een brief aan de Tweede Kamer aan harder op te treden tegen bestuurders wiens ‘morele kompas niet goed genoeg staat afgesteld om in het onderwijs te werken’. Een van de middelen die ze daarvoor gaat inzetten is de versterking van de medezeggenschap.

Daar lijkt de tijd meer dan ooit rijp voor. Onlangs riepen Leidse promovendi Jelmer Renema (brief in Mare 19) en Geerten Waling (column in Mare 25) al op tot een nieuwe bestuurscultuur: een klimaat waarin academici zelf bepalen hoe ze bestuurd willen worden, en waarin de ‘soft power van massa, media en medezeggenschap’ bestuurders uitnodigt tot samenwerking, openheid en transparantie. In het licht van het voorgaande zou een passende beloning en gedeeltelijke vrijstelling van andere taken voor FR-leden een goede eerste stap zijn. Maar nog belangrijker is de mentaliteitsverandering die de Leidse wandelgangen nodig hebben: het wordt tijd de mythe van het ja-knik-recht aan de kant te zetten, en de effectiviteit van soft power te omarmen. Want, om Geerten Waling opnieuw te citeren: ‘een mailtje aan Mare is zo verstuurd en een rel is snel geboren.’

Dit opiniestuk verscheen in de Mare van 16 mei 2013, onder de titel ‘Weg met de ja-knikkers: geef faculteitsraadsleden reele beloning en vrijstelling’.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s