Category Archives: Experiment promotiestudent

Promovendi: ‘Stop experiment bursalen’

Meerdere universiteiten gaan begin volgend jaar van start met een experiment om promovendi aan te stellen als student. Nijmeegse promovendi springen in de bres voor hun collega’s. ‘Als dit experiment eenmaal loopt, valt het bursalenstelsel niet meer tegen te houden.’

Het is een inkoppertje voor de boekhouders van de universiteiten: een promovendus aangesteld als ‘bursaal’ kost twee keer minder dan de nu aangestelde promovendus, die als volwaardig werknemer alle rechten en plichten geniet die horen bij een ‘echte’ baan. Den Haag gaf vorig jaar het groene licht aan een experiment dat universiteiten de mogelijkheid biedt promovendi aan te stellen als veredelde student. Het Promovendi Overleg Nijmegen vraagt aandacht voor de petitie om het stelsel alsnog van tafel te krijgen.

—-
Van voxweb.nl
—-logo PNN————————————

Voor de Nijmeegse promovendi is de aanklacht een daad van solidariteit met de landelijke collega’s. Want zelf lopen ze geen risico. De Radboud Universiteit heeft inmiddels aangegeven niks te zien in zo’n bursalenstelsel. Nijmegen doet dan ook niet mee aan het experiment, in tegenstelling tot andere instellingen die vanaf februari bursalen kunnen aanstellen. Gemikt wordt op jaarlijks honderd bursalen per universiteit.

Inmiddels zijn via de landelijke petitie 1.300 handtekeningen verzameld, en dat aantal moet omhoog, vindt Laura Visser, promovendus bij de faculteit managementwetenschappen. ‘Onze angst is dat als het experiment eenmaal loopt, het hek van de dam is. Wij zien het als een gewiekste manier om het bursalenstelsel  uiteindelijk in te voeren. Daarom moeten we ons er nú tegen keren.’ Visser vindt dat de koerswijziging nog te weinig bekend is, ‘terwijl dit een belangrijke zaak is voor toekomstige promovendi en hun begeleiders’.

Staat de Nijmeegse universiteit alleen in het afwenden van het bursalenstelsel? De stemming is verdeeld. Universiteiten als Amsterdam, Groningen en Maastricht zien wel wat in bursalen, Wageningen en Twente zijn net als Nijmegen terughoudend. Sharon Ooms, voorzitter van het Nijmeegse promovendi-overleg, wijst op het negatief advies van de Raad van State. ‘Het bursalenstelsel is niet oké. Elke promovendus verdient een volwaardige aanstelling.’

Dit bericht, gepubliceerd op 22 oktober 2013, is overgenomen van Voxweb, de digitale versie van het onafhankelijk magazine van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Advertisements

Petitie tegen ‘Experiment promotiestudent’

PhDoc is onlangs benaderd door een aantal Leidse promovendi om mee te werken aan een petitie tegen het ‘Experiment promotiestudent’. Dat doen we natuurlijk graag! Je kunt de petitie hier tekenen. Zie hieronder de volledige tekst. De actiegroep heeft ook een website.

Wat is er aan de hand?

De minister van onderwijs wil de arbeidsvoorwaarden van promovendi op de schop nemen. Het plan is om een Algemene Maatregel van Bestuur door te voeren,  zodat universiteiten promovendi kunnen aanstellen die geen werknemer zijn. Zij hebben bijvoorbeeld geen recht op pensioen of bescherming onder de CAO. Deze promovendi zullen leven van alleen een beurs.

lab-rats1

Waarom is dit slecht?

Nederlandse universiteiten maken deel uit van de academische wereldtop. Nederland is ook een van de weinige landen waar promovendi werknemers zijn van de universiteit. Onderzoek is een kerntaak van de universiteit, en een groot deel van het Nederlandse onderzoek wordt uitgevoerd door promovendi. Daarmee dragen promovendi, anders dan studenten, bij aan de primaire activiteiten van de universiteit: zij delen in de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze kerntaak, en worden als zodanig vergoed. Deze arbeidsrelatie ligt aan de kern van het succes van de Nederlandse academie.

Bij gevolg behoren Nederlandse promovendi wetenschappelijk gezien tot de meest productieve, en Nederlandse universiteiten trekken talent aan van over de hele wereld. Als de overheid de vooraanstaande en volwaardige positie van haar toekomstige wetenschappers wil behouden, dan is het niet verstandig het huidige systeem te ondergraven.

Maar het is alleen een experiment!

De VSNU, de vereniging van universiteiten, is al jaren aan het lobbyen voor invoering van het bursalenstelsel (zie ook dit artikel). Dit is geen experiment. Wat wordt er precies onderzocht? Nergens wordt gedegen beschreven hoe het experiment uitgevoerd zal worden, welke aspecten men zal bestuderen of hoe de resultaten geïnterpreteerd zullen worden. Buiten de kostenbesparing die het stelsel de universiteiten en de overheid zal opleveren, is niemand geïnteresseerd in de uitkomsten.

Wij voorzien echter een drietal negatieve gevolgen. Ten eerste: als promovendi goedkoper worden voor de universiteit, dan zullen er meer promovendi aangesteld worden per begeleider. Hierdoor zal de kwaliteit van begeleiding dalen, waar de output en toekomstige mogelijkheden van de promovendus onder lijden.

In de tweede plaats zal het contrast tussen de omstandigheden van promovendi en die van leeftijdsgenoten stijgen. Afgestudeerden met een master titel draaien volwaardig (dus niet als student) mee in het bedrijfsleven, waardoor hun carrièremogelijkheden groeien. Waar in het Angelsaksische systeem een PhD de baankansen vergroot, is een PhD in de Nederlandse niet-academische wereld eerder een minpunt. Als promovendi ook nog rechten op bijvoorbeeld doorbetaald ouderschapsverlof -relevant in deze levensfase – , pensioenopbouw en wachtgelduitkering moeten missen, zal wetenschappelijk talent een lucratieve baan elders prefereren.

Tenslotte creëert het binnen de universiteiten een gevoel van onrechtvaardigheid onder de promovendi . Zij doen hetzelfde werk, maar tegen verschillende vergoedingen, en met een verschillend niveau van wetenschappelijk aanzien. Hierdoor worden extra verwachtingen gecreëerd voor mensen met een arbeidscontract, terwijl promovendi met een beurs ongeacht hun werkelijke niveau als tweederangs gezien zullen worden.

Waarom heeft de overheid die nadelen zelf niet gezien?

Een stelsel met studentpromovendi is binnen het Angelsaksische opleidingssysteem gebruikelijk. Dat wil echter niet zeggen dat het automatisch leidt tot een hoog wetenschappelijk niveau. In Nederland breekt het bursalenstelsel de waarden af die ons sterk maken. Als de overheid in de top vijf van kennislanden wil blijven en wetenschappelijk talent, met name in de bètawetenschappen, wil behouden, dan is invoering van het bursalenstelsel niet het juiste antwoord. Dit was ook de conclusie van de Raad van State in November 2012, in een advies over de plannen.

Het welzijn van de universiteit is een zorg van alle promovendi. We willen dat de universitaire bul niet aan waarde verliest. We willen dat de volgende generatie met enthousiaste ambitie en in gezonde arbeidsomstandigheden aan de slag kan.

Wat kan ik doen?

Ten eerste, teken de petitie! Vertel je vrienden, collega’s, studenten, en begeleiders hier over. Lees over de achtergronden van het experiment, en over onze bezwaren, op deze website. Deel de link naar de petitie via mail, facebook en twitter. Als je meer informatie wilt, zijn wij te bereiken via promotiestudent@yahoo.com.

De 126e overlegvergadering, 26-8-2013

Met het zomerreces alweer achter de rug hadden UR en CvB genoeg te bespreken. Deze keer op de agenda: de tweede ronde in de discussie over Leidse deelname aan een experiment promotiestudent, het nieuwe diversiteitsbeleid, de gemeenschappelijke regeling voor de Honours Academy, het beoordelingssysteem voor Campus Den Haag, en niet te vergeten: elektrische onderduikers!

Promotiestudent : some are more equal than others

Voor het eerst op de agenda in de vorige overlegvergadering, lijkt dit dossier voorbestemd om de komende tijd vaker ter tafel te komen. Het wachten is op de Algemene Maatregel van Bestuur die het experiment groen licht geeft: pas dan zullen de details uitgewerkt worden. De Raad was niettemin kritisch. Joost Augusteijn van Abvakabo vroeg het CvB uit te leggen wat nu eigenlijk het verschil is tussen promotiestudenten en AIO’s, buiten de kostenbesparing voor de Universiteit. Vice-rector Simone Buitendijk benadrukte dat inderdaad de rechtspositie het enige verschil is, en dat zij het ‘ontzettend belangrijk’ vindt dat promovendi in de dagelijkse praktijk geen verschil merken (zoals ook bleek uit de brief waarin ze de Raad informeerde over het plan).

—-
Door Linda Bleijenberg
—-Linda Bleijenberg—-
Linda Bleijenberg zit namens PhDoc in de Universiteitsraad. Via deze blog doet ze regelmatig verslag van wat er aan de vergadertafel besproken wordt, en van de actie die PhDoc voor haar achterban onderneemt.
————————————

Dit leek mij een wat twijfelachtige redenering: dus het is oké om promotiestudenten slechtere contracten te geven, zolang het er op de werkvloer maar niet zo uitziet? Daarnaast is het zoveel mogelijk gelijkstellen van rechten en plichten arbeidsrechtelijk gezien lastig. Door promotiestudenten bijna exact hetzelfde te bieden als AIO’s creëer je omstandigheden die de gemiddelde rechtbank zal interpreteren als een arbeidsrelatie, waar de CAO Nederlandse Universiteiten op van toepassing is.

Abvakabo wilde vervolgens weten wat dan een reden zou kunnen zijn om promovendi een student-traject aan te bieden, als er verder nauwelijks verschil is tussen de trajecten. De Raad drong er ook in een eerder advies al op aan dat de promotiestudent niet de AIO mag vervangen: promovendi die onder het AIO-stelsel kunnen vallen, moeten daar ook onder vallen. Buitendijk verwees hiervoor echter naar de faculteiten. Zij zien in de promotiestudent ruimte om meer promovendi aan te nemen, en zij zullen bepalen wie ze in het student-traject plaatsen.

Diversiteitsbeleid: sociale rechtvaardigheid vs. prestatie-afspraken

Het contrast met het volgende punt op de agenda, diversiteitsbeleid, was ietwat ironisch. Volgens de memo van de Werkgroep Diversiteit is dit beleid gericht op ‘het bieden van mogelijkheden aan alle studenten en medewerkers zich optimaal te ontplooien … de universiteit wil attractief en stimulerend zijn voor een zo breed mogelijke waaier van talent’. Maar ook hier weer een merkwaardige spanning tussen ethische en strategische overwegingen, tussen wat precies het doel van het beleid is en wat de middelen. ‘Goed diversiteitsbeleid is al lang niet meer een kwestie van sociale rechtvaardigheid, maar draagt ook bij aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek.’ De memo lijkt het vooral interessant te vinden dat diversiteit excellentie bevordert, studiesucces vergroot, nieuwe doelgroepen binnenhaalt, de universiteit helpt ‘zich te ontwikkelen tot een topinstituut’, en daarmee haar ‘concurrentiepositie versterkt’. Oh ja, en de universiteit kan op deze wijze ook nog ‘invulling geven aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid’. Stuk voor stuk overwegingen die rechtstreeks op de prestatie-afspraken van 2012 gebaseerd lijken.

Waarom moet de Diversity officer een hoogleraar zijn?

In de commissievergadering waarin dit dossier besproken werd ging het vooral over de functie van Diversity officer. De werkgroep stelt dat dat een hoogleraar moet zijn, omdat alleen zo de status en autoriteit tegenover de academische staf gewaarborgd is. De mentaliteitsverandering moet namelijk vooral plaatsvinden bij de mensen in hogere functies, en die zouden beter luisteren naar een  collega prof dan naar een beleidsmedewerker. Waarmee de noodzaak van diversiteitsbeleid inderdaad pijnlijk duidelijk wordt …

Tijdens de rondvraag kwam de Diversity officer nogmaals ter sprake, toen Abvakabo het CvB erop attendeerde dat er de laatste tijd regelmatig nieuwe functies gecreëerd worden die niet direct met onderwijs en onderzoek te maken hebben, maar niettemin door wetenschappelijk personeel uitgevoerd worden. ‘Het beroep op de eerste geldstroom door centraal wordt hierdoor verhoogd en taken van personeelsleden worden verzwaard. Beide hebben een negatief effect op tijd en fondsen beschikbaar voor onderwijs en onderzoek.’ Abvakabo vroeg zich bovendien af of het inzetten van WP voor ondersteunende en coördinerende functies tot doel had ‘de schijnbare balans tussen WP en OBP [Ondersteunend personeel] er beter uit te laten zien voor het WP dan die feitelijk is.’

Vice-voorzitter Willem te Beest antwoordde enigszins ontwijkend dat het CvB een prestatieafspraak heeft gemaakt wat betreft het percentage overhead: meer WP of additionele taken voor WP betekent de noodzaak tot versterking van het OBP, maar verandert de verhouding WP-OBP niet. Daarnaast gaf hij aan dat er een verschil is in faculteiten: sommige zetten WP in voor bepaalde functies, andere kiezen voor OBP.

Waterkokers achter de boeken

De discussie laaide op toen we bij het jaarrapport van de afdeling Veiligheid, Gezondheid en Milieu belandden. Over de wenselijkheid kolven en bidden te combineren in één ruimte (houd de komende Mare in de gaten voor de reactie van Carel Stolker!), maar vooral over het houden van brandgevaarlijke apparaten door personeel op hun kantoren. Dit is een doorn in het oog van VGM, met het lot van de faculteit Bouwkunde in Delft als afschrikwekkend voorbeeld. In Delft hebben ze inmiddels uit voorzorg een collectieve verzekering voor dit soort incidenten afgesloten, maar in Leiden geven VGM en CvB de voorkeur aan een verbod. De Raad vond dit niet erg realistisch, en adviseerde over te stappen op regelmatige inspecties. Dit om te voorkomen dat ‘professoren hun waterkoker in hun boekenkast gaan verstoppen voor het geval er een controleur langskomt, wat het brandgevaar natuurlijk significant verhoogd.’ Waargebeurd, volgens collega-raadslid Marc Newsome!

Campus Den Haag: € 30.000,-  om GPA-systeem in te kunnen voeren

Tijdens het agendapunt mededelingen bogen Raad en CvB zich opnieuw over de Cum Laude regeling van het Leiden University College in Den Haag. Eerder dit jaar had de Raad het CvB erop gewezen dat het LUC bij een 6,5 gemiddeld al Cum Laude gaf, waarop de regeling aangepast werd. Maar nog steeds niet ver genoeg, volgens de Raad. Ook de nieuwe regeling stevent af op een zeer groot percentage Cum Laudes (zo’n 27 %), vergeleken met de andere Leidse opleidingen (2 %). Vice-rector Buitendijk vond dat niet onredelijk: het referentiepunt van het LUC is niet de Universiteit Leiden, maar andere University Colleges in binnen- en buitenland. Aansluiting bij hun becijferingspraktijk zou het perspectief op een vervolgstudie bij een internationale instelling faciliteren.

Er bleek nog wel een financieel addertje onder het gras te zitten. In de conclusies van de CvB-vergadering van 18 juni werd vermeld dat aan het aanpassen van uSis om het GPA-systeem (Grade Point Average, oftewel beoordeling op een schaal van A tot E) mogelijk te maken een prijskaartje van € 30.000,- hangt. Op de vraag van de Raad of het LUC dat uit eigen middelen betaalt antwoordde het CvB negatief: zij vindt het volstrekt gerechtvaardigd dat de hele universiteit meebetaalt aan de wens van een enkele faculteit aansluiting te vinden bij een Amerikaans cijfersysteem. Ook de afspraak om niet nog meer geld in het zwarte gat dat uSis heet te gooien lijkt niet langer relevant.

Beknopte geschiedenis van het bursalenstelsel

Het leek er even op dat de bursaal uit beeld was, maar sinds de uitspraak van het Hof in Leeuwarden dat beurspromovendi geen werknemers zouden zijn rommelt het weer flink in promovendiland. PhDoc zet de ontwikkelingen voor je op een rij, met links (in geel) naar aanvullende informatie.

In januari besloot het ministerie van OCW nog het bursalenstelsel niet op te nemen in de nieuwe onderwijswet ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’, na een negatief advies van de Raad van State. Minister Bussemaker zette echter wel een achterdeurtje open in de vorm van een ‘experiment’. Dat experiment moet duidelijk maken wat de haken en ogen van het stelsel zijn. Veel van die haken en ogen zijn echter allang bekend: sommige ervan waren ooit de reden dat het AIO-stelsel ingevoerd werd, anderen kwamen naar voren in een serie rechtszaken die recent over de kwestie gevoerd zijn.

1986: Invoering AIO-stelsel

—-Tale-of-two-cows-thumbnail-v2————————————

Het bursalenstelsel verscheen op het Nederlandse toneel in de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen universiteiten ontevreden waren over het bestaande promotiestelsel. Het aantal promoties was te laag en vooral binnen de alfa- en gammawetenschappen werd de promotie gekenmerkt door een hoge mate van individualisme en vrijblijvendheid. In de bètawetenschappen hadden promovendi meestal een betaalde baan als promotie-assistent, maar in de alfa- en gammawetenschappen werden ze vaak niet betaald. In 1986 wordt het assistenten-in-opleiding–stelsel (AIO-stelsel) ingevoerd. Centraal daarin staat dat AIO’s universitaire werknemers zijn, met wie door middel van het werknemerschap afspraken worden gemaakt wat betreft hun onderzoeksoutput. Voordeel van dit stelsel voor de universiteiten is uiteraard dat zij meer grip krijgen op hun promovendi, zodat die niet meer eindeloos over hun promotie doen. Voordelen van werknemerschap voor promovendi zijn onder andere dat ze verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, recht hebben op zwangerschapsverlof en een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering), een vakantie- en eindejaarsuitkering krijgen, een pensioen opbouwen en arbeidsrechtelijk beschermd worden via de CAO Nederlandse Universiteiten.

De invoering van het AIO-stelsel betekent echter niet dat Nederland geen bursalen kent. Er is op het moment een aanzienlijk aantal promovendi aan Nederlandse universiteiten werkzaam die geen werknemer zijn: promovendi die vooral van buiten de EU komen en een beurs ontvangen vanuit hun land van herkomst. Dit is mogelijk doordat deze promovendi niet door een Nederlandse universiteit betaald worden, en dus niet beschermd worden door de CAO Nederlandse Universiteiten.

1995: UvA-bursalen spannen rechtszaak aan

Sinds enkele jaren lobbyen de Nederlandse universiteiten flink om te zorgen dat ze ook zelf promovendi als een bursaal of promotiestudent aan kunnen stellen. Groot voordeel daarvan is dat een bursaal maar de helft kost van een AIO, onder meer omdat er voor hen geen sociale premies en wachtgeld betaald hoeft te worden. De UvA begint in 1995 al met het aanstellen van bursalen. Bijgestaan door de vakbond Abvakabo stapt een aantal van deze bursalen naar de kantonrechter, om te bewijzen dat hun overeenkomst met de universiteit wel degelijk beschouwd moet worden als een arbeidsovereenkomst. In eerste instantie oordeelt de kantonrechter echter dat er geen sprake is van “arbeid” in de zin van art. 7:610 van het Burgerlijk Wetboek.

2006: Hoge Raad geeft UvA-bursalen gelijk

In 1999 gaan de UvA-bursalen in hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter, en de rechtbank oordeelt deze keer in hun voordeel: er is wel degelijk sprake van arbeid. De Uva (op dat moment geleid door collegevoorzitter Sijbolt Noorda) besluit daarop de kwestie voor te leggen aan de Hoge Raad, maar de Hoge Raad bevestigt het vonnis. ‘Beurspromovendi hebben zich jegens de UvA verbonden tot het verrichten van een prestatie die daarin bestaat dat zij wetenschappelijk onderzoek doen met het oog op het publiceren van een dissertatie. Door het verrichten van onderzoek draagt de beurspromovendi, anders dan een eerste fase student, actief bij aan de verwezenlijking van het primaire doel van de UvA. Zo bezien zijn de activiteiten productieve activiteiten ten behoeve van de UvA.’ Abvakabo reageert verheugd: ‘Het bursaalsysteem is asociaal en onverantwoord. Het gaat hier om een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Gelukkig is er door deze uitspraak herstel mogelijk van de secundaire arbeidsvoorwaarden.’

2009: RUG-bursalen spannen rechtszaak aan

In 2009 spant de vakbond Abvakabo FNV namens 13 Groningse promovendi een rechtszaak aan tegen de RijksUniversiteit Groningen. Inzet: de promovendi willen hun ‘opleidingsovereenkomst’ als arbeidsovereenkomst laten erkennen. Zij ontvangen op dat moment een beurs die netto ongeveer overeenkomst met wat een AIO netto ontvangt, maar de Belastingdienst ziet deze beurs gewoon als inkomen, met alle gevolgen van dien. De kantonrechter stelt de promovendi in het gelijk, met het argument dat er een gezagsverhouding tussen promotor en promovendus bestaat, en vanwege het feit dat het collegegeld dat zij de RUG als student verschuldigd zijn wordt kwijtgescholden, waardoor ze de facto geen collegegeld hoeven te betalen. In hoger beroep wint de RUG echter: het Hof van Leeuwarden oordeelt in april 2013 dat bursalen geen werknemers zijn. Abvakabo FNV overweegt de zaak aan de Hoge Raad voor te leggen.

2011: OCW wil bursalenstelsel invoeren

Intussen komt het bursalenstelsel ineens gevaarlijk dichterbij, mede dankzij het lobbywerk van inmiddels VSNU-voorzitter Sijbolt Noorda (die in maart 2011 de Hosni Mubarak Award voor Goed Bestuur krijgt toegekend van een groep promovendi). Najaar 2011 wil staatssecretaris van OCW Halbe Zijlstra (VVD) het wettelijk mogelijk maken promovendi een beurs te geven in plaats van hen aan te stellen als AIO. Daarmee zouden promovendi effectief de status, het inkomen (ongeveer €800,- per maand) en de noodzaak tot bijverdienen van een student krijgen. Het plan leidt tot een storm van protest van promovendi, die een website (promovendus.org, inmiddels niet meer beschikbaar), een facebook-groep (‘Promovendi leveren volwaardig werk!’) en een petitie starten om hun ongenoegen kenbaar te maken. Abvakabo FNV stuurt een brandbrief naar de Tweede Kamer, en ook de vakbond CNV waarschuwt voor de gevolgen van invoering. De universiteiten reageren verschillend: Maastricht, Groningen en Amsterdam juichen het plan toe, terwijl Nijmegen, Wageningen en Twente terughoudend zijn.

2012: Raad van State raadt bursalenstelsel af

Eind 2012 geeft de Raad van State echter een negatief advies op dit plan. Het is voldoende om het Ministerie van OCW (inmiddels geleid door Jet Bussemaker) ervan te overtuigen het bursalenstelsel uit de nieuwe onderwijswet ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’ te schrappen. In een reactie op de kanttekeningen van de Raad van State geeft Bussemaker echter wel aan op beperkte schaal te willen ‘experimenteren’ met promotiestudenten. Uit een dergelijk experiment moet blijken wat de risico’s van het bursalenstelsel zijn, hoe de twee typen promovendi zich tot elkaar verhouden, en wat de impact van het stelsel is op het aantal promovendi.

Vanaf 2013: Een ‘experiment promotiestudent’

Na het vonnis van de rechtbank in Leeuwarden (april 2013) in het hoger beroep van de Groningse casus zet Bussemaker de experimenteerplannen voortvarend door: in mei 2013 wordt de Nederlandse universiteiten gevraagd of zij deel willen nemen aan een dergelijk experiment, en hoe zij dat zouden willen inkleden. Op basis van de voorstellen die ingediend zijn wordt op dit moment gewerkt aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die het experiment definitief mogelijk zal maken.

Raad van State: “Niet doen, die promotiestudent!”

In november 2012 schreef de Raad van State een vernietigende reactie op de plannen van OCW om het bursalenstelsel in te voeren. In het licht van het huidige geflirt met een ‘experiment promotiestudent’ heeft PhDoc het advies maar weer eens opgediept, en teruggebracht tot een serie hapklare brokken. In een notedop zeggen ze dit:

Er moeten meer promovendi komen.

‘De commissie Veerman heeft geadviseerd het aantal promovendi te verhogen, vooral in de natuurwetenschappen en technische vakken. Opgemerkt is dat er veel promovendi uit het buitenland komen, terwijl het aantal Nederlandse bètapromovendi ver achterblijft. Ook lekt veel kennis weg. Mensen promoveren maar vertrekken weer uit Nederland.’

Jullie stellen de promotiestudent voor als oplossing…

‘Het voorgestelde artikel 7.18a van de WHW bevat een regeling voor het promotieonderwijs. Het onderwijs aan promotiestudenten is enerzijds gericht op een wetenschappelijke carrière, maar bevat ook vakken die de student voorbereiden op een carrière buiten de wetenschap. Deze studenten zijn geen werknemers en daarmee goedkoper dan de huidige werknemers-promovendi, onder meer omdat de instelling geen sociale premies of wachtgeld hoeft te betalen. Promotiestudenten zijn ook het basistarief aan collegegeld verschuldigd. De instelling kan het collegegeld kwijtschelden.’

… maar die gaat dan waarschijnlijk de AIO verdringen …

‘Invoering van dit promotietraject brengt wel het grote risico met zich dat besturen van universiteiten in de huidige economische situatie op grote schaal trajecten voor werknemers-promovendi gaan vervangen door de goedkopere trajecten voor promotiestudenten.’

… en daarmee wordt promoveren een stuk minder aantrekkelijk.

‘Het risico bestaat dat promoveren in Nederland als gevolg van het voorstel een deel van zijn aantrekkelijkheid verliest. Omdat de schaarste groot is aan Nederlandse afgestudeerden die willen en kunnen promoveren in de natuurwetenschappelijke en technische vakken, is het van groot belang dat promoveren in Nederland zijn aantrekkelijkheid behoudt.’

Terwijl het huidige AIO-stelsel uitstekend werkt!

‘Door de invoering van het aio-stelsel is het aantal onderzoekpublicaties in Nederland met sprongen omhoog gegaan, zodanig dat Nederland nu op publicatie van wetenschappelijke artikelen tot de wereldtop is gaan behoren. Het aantal promoties is over de gehele linie sinds de invoering van het aio-stelsel sterk gestegen, hetgeen ten goede is gekomen aan de algehele verhoging van wetenschappelijke publicaties in het wetenschappelijk onderzoek.’

Bovendien: waar ga je docenten vandaan halen zonder AIO’s?

‘De Afdeling wijst er nog op dat een groot deel van het onderwijs aan bachelorstudenten, waaronder de practica in de natuur- en scheikunde en in de biomedische wetenschappen, thans wordt verzorgd door werknemers-promovendi. Indien deze op grote schaal door promotiestudenten vervangen worden, moeten de instellingen alsnog nieuwe docenten aantrekken voor het verzorgen van deze practica.’

Maar vooral: hiermee stoot je wetenschappelijk talent juist af!

‘Het risico van het verdwijnen van werknemers-promovendi staat op gespannen voet met de uitgangspunten van de Commissie Veerman en met de doelstellingen van het huidige voorstel, namelijk het streven om tot de top 5 van de kennislanden te gaan behoren. Naar het oordeel van de Afdeling dient bij het op grote schaal invoeren van het traject van promotiestudent in het licht van het voorgaande rekening gehouden te worden met een kwaliteitsdaling in plaats van met de gestelde kwaliteitsverhoging. Invoering van de promotiestudent heeft tot gevolg dat nog meer getalenteerde studenten voor een andere loopbaan kiezen. In zo’n situatie kan invoering van de promotiestudent op termijn juist tot minder promoties leiden.’

Eindoordeel: niet doen!

‘Naar het oordeel van de Afdeling kan de invoering van het traject van promotiestudent op korte termijn financieel voordelig zijn voor instellingen en de samenleving, omdat zo in een moeilijke economische periode het aantal promotieplaatsen zonder veel kosten verhoogd kan worden. Op lange termijn heeft het op grote schaal invoeren van dit traject evenwel grote risico’s voor de kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek. In dit geval geldt volgens de Afdeling dat goedkoop duurkoop is. De Afdeling adviseert de invoering van de promotiestudent te heroverwegen.’

Straks krijgen we nog tweederangs promovendi…

‘De toelichting zwijgt over de toekomstige verhouding tussen promotiestudententrajecten en werknemers-promovendi. Werknemers-promovendi mogen wel onderwijs geven, hetgeen in de regel hun loopbaan bevordert, terwijl promotiestudenten die nagenoeg hetzelfde promotietraject volgen, hoofdzakelijk onderwijs volgen in onderwerpen die niet met hun onderzoek te maken hebben, en die ze vaak al eerder in de opleiding hebben gehad. Het is niet onaannemelijk dat er in de praktijk een kwaliteitsverschil ontstaat tussen studenten in de verschillende promotietrajecten. Instellingen die briljante studenten aan zich willen binden, zullen hen een plaats als werknemer-promovendus aanbieden en iets minder briljante studenten in het traject van promotiestudent plaatsen. Ongewild zou er een onderscheid ontstaan tussen eersterangs en tweederangs promotietrajecten.’

De 125e overlegvergadering, 24-6-2013

Mijn eerste overlegvergadering! Het was met recht een vuurdoop te noemen, voornamelijk dankzij het eerste punt van bespreking: het zogenaamde ‘Experiment promotiestudent’ waaraan het College van Bestuur wil deelnemen. Dit onderwerp belandde vlak voor de UR-vergadering van 17 juni ineens op de agenda, via een brief van Vice Rector Simone Buitendijk aan de UR (zie de PDF hier). Uit de brief blijkt dat het Ministerie van OCW een Algemene Maatregel van Bestuur voorbereidt die het ‘op beperkte schaal’ experimenteren met promotiestudenten mogelijk moet maken, met ingang van 2014. In overleg met het ministerie heeft de VSNU alle Nederlandse universiteiten gevraagd of zij belangstelling hebben voor deelname, en hoe zij dit experiment zouden willen invullen.

Leiden heeft laten weten met maximaal 50 promotiestudenten mee te willen doen, met als doel ‘het flexibiliseren en internationaliseren van het promotiestelsel’, en daarnaast ‘het bieden van meer mogelijkheden voor promotieonderzoek’. Het CvB denkt hiermee twee categorieën promovendi aan te spreken: kandidaten van buiten de EU, en kandidaat-promovendi die in het huidige stelsel buiten de boot vallen. De brief meldt ook dat Leiden deze bursalen dezelfde faciliteiten wil bieden als aangestelde promovendi: een opleidings- en begeleidingsprogramma, een werkplek, print- en kopieerfaciliteiten, en opname in de facultaire Graduate Schools. Voor cursussen en congresbezoek zal een niet nader gespecificeerde voorziening getroffen worden.

—-
Door Linda Bleijenberg
—-Linda Bleijenberg—-
Linda Bleijenberg zit namens PhDoc in de Universiteitsraad. Via deze blog doet ze regelmatig verslag van wat er aan de vergadertafel besproken wordt, en van de actie die PhDoc voor haar achterban onderneemt.
————————————

Als UR-groentje had ik geen flauw idee wat het protocol voor een reactie op deze brief was, maar gelukkig kon ik daarvoor bij UR-griffier Marrie Stol en voorzitter Jasmijn Mioch terecht. Zij raadden me aan de vragen die ik naar aanleiding van de brief had op papier te zetten (zie de complete vragenlijst hier; zie ook deze samenvatting in Mare), en het CvB te verzoeken hier in de overlegvergadering antwoord op te geven. Dat bleek lastig: in de week tussen het indienen van mijn vragenlijst en de overlegvergadering moest het CvB acte de présence geven op maar liefst twee strategische conferenties, van de Universiteit Leiden en van de VSNU. Mij werd dus vriendelijk verzocht of ik kon wachten tot de Augustus-cyclus voor een schriftelijk antwoord. Een telefoontje met Academische Zaken leerde me dat het er niet naar uitziet dat er tussen nu en September alarmerende stappen gezet gaan worden in dit dossier, waardoor het nu inderdaad naar de overlegvergadering van 26 augustus doorgeschoven is. Belangstellenden zijn van harte welkom die vergadering bij te wonen!

Verdere punten van bespreking tijdens de vergadering waren de invoering van het Bindend Studie Advies in het 2e studiejaar; het bijgewerkte studentenstatuut; de voortgang van de strategische alliantie tussen Delft, Leiden en de EUR; en de 1e Bestuurlijke Financiële Rapportage van 2013. Het dossier BSA 2e studiejaar stuitte met name bij de studentenpartijen op weerstand (zie ook de berichtgeving in Mare 31, Mare 32, en Mare 32). Vooral het gebruik van de term ‘experiment’ –het dook ook al op in het bursalenplan van OCW- riep kritische vragen op: op basis van welke criteria wordt dit zogenaamde experiment geëvalueerd, en is er überhaupt een mogelijkheid om het stop te zetten bij tegenvallende resultaten? Het CvB gaf inderdaad aan het verlengde BSA meer als een maatregel dan als een experiment te zien, en meldde het te gaan monitoren in termen van effect. In het ideale geval heeft invoering van het BSA in jaar 2 een versneld studietempo tot gevolg, zonder extra uitval; en dat draagt weer bij aan het halen van de prestatieafspraken die het CvB met OCW gemaakt heeft.

In de eerste BFR 2013 was o.a. te lezen dat de Universiteit 4 ton gereserveerd heeft voor een corporate imago campagne (zie ook de website http://www.leeronskennen.leidenuniv.nl). Op ons verzoek zal de UR in de Augustus-cyclus verder geïnformeerd worden over de marketing strategie van de Universteit. Een ander aandachtspunt was de chronische onderbezetting bij de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen: de BFR suggereert dat de overschotten die op die manier ontstaan opgepot worden voor de inrichting van de nieuwbouw, wat de indruk wekt dat vacatures met opzet laat ingevuld worden.

Tenslotte kwam in de rondvraag nog de opheffing van de Leidse Studentenraad LSR ter sprake, naar aanleiding van dit bericht in Mare. Het CvB gaf aan dat zij niettemin graag in gesprek wil blijven met een grote groep actieve en betrokken studenten. Een voorstel voor de inrichting van een dergelijk overleg wordt as we speak opgesteld door LSR en het Leids Assessoren Overleg LAssO. Wat niet meer ter sprake kwam was de kwestie van de harmonisatie tussen faculteiten van boeteregelingen voor tentamens, al eerder besproken in een blog van Maarten Jansen (zie ook dit bericht in Mare). Bij de stukken voor de UR-vergadering van 17 juni zat een brief van het CvB hierover, waarin kortweg geconcludeerd wordt dat er ‘onvoldoende draagvlak voor harmonisatie bestaat’, en dat het CvB haar voorstel (wat neerkwam op het optioneel overnemen van de formidabele boeteregeling van de faculteit Rechten) dus terugtrekt. Op de informele vraag van de UR of het CvB wil overwegen dan in ieder geval de periode van tentameninschrijving te harmoniseren, liet het bestuur weten dat daarvoor eerst een formele brief moet worden ingediend. De UR heeft besloten het erbij te laten.