Category Archives: In de media

Lijsttrekkers kruisen de degens

Komende week zijn de universiteitsraadsverkiezingen. Mare interviewde de lijsttrekkers van de partijen voor medewerkers: Joost Augusteijn (53, universitair hoofd­docent geschiedenis) van Abvakabo; Gwen Wolters (38, beleidsmedewerker marketing, communicatie en internationalisering bij FSW) van Universitair Belang; en Gareth O’Neill (34, promovendus Leiden University Centre for Linguistics) van PhDoc.

timthumb.php

—-
Van www.mareonline.nl
—-logo Mare————————————

Wat zijn de verschillen tussen jullie partijen?

GO: ‘Wij leggen de nadruk op de belangen van promovendi en jonge postdocs. Die zitten vaak niet in de medezeggenschap omdat ze vanwege hun tijdelijke aanstelling minder tijd hebben voor raadswerk. Maar zij moeten wel gehoord worden. Andere medewerkers en studenten zijn al goed vertegenwoordigd.’

GW: ‘We bestaan pas vier jaar. Er was behoefte aan een alternatief voor de Abvakabo, een partij die voortkomt uit de vakbond. PhDoc heeft ook een specifieke achterban. Wij zijn een universiteitsbrede partij die het totaalplaatje in de gaten houdt. Wij redeneren iets meer vanuit de organisatie als geheel. In de Abvakabo-fractie zit wetenschappelijk personeel. Bij ons is het een mengeling van wetenschappers en ondersteunend personeel.’

JA: ‘We vertegenwoordigen juist vanwege onze vakbondsachtergrond ook het ondersteunend personeel. Het is toeval dat in de huidige fractie alleen maar wetenschappers zitten. Dat betekent niet dat we geen voeling hebben met andere medewerkers.’

Oké, maar waarom moeten we op jouw partij stemmen?

JA: ‘Wij zijn wat krachtiger en vasthoudender in kwesties tussen universiteitsraad en college van bestuur. We zetten wat harder in, voeren meer oppositie. Universitair Belang is meer bereid mee te denken met het college.’

GW: ‘We zoeken naar de oplossing van een probleem. Terwijl Joost heel sterk is in het vaststellen wat nu precies het probleem is. We zijn complementair en dat maakt de personeelsgeleding krachtiger. We proberen gezamenlijk tot een standpunt te komen en het college bij te sturen.’

GO: ‘Zaken die van belang zijn voor promovendi en postdocs staan vaak niet op de agenda in raden. Ik zit bijvoorbeeld in de faculteitsraad van Geesteswetenschappen en het blijkt dat de reorganisatie van Godsdienswetenschappen flinke gevolgen heeft voor promovendi. Zij worden daar niet goed over geïnformeerd. Als PhDoc geen aandacht voor zulke zaken vraagt, dan komen deze niet aan bod.’

Wat hebben jullie de afgelopen termijn voor elkaar gekregen?

GO: ‘Er is meer aandacht voor de problemen omtrent beurspromovendi. Dit hebben we samen met de andere twee partijen aangekaart . Verder zijn we een nationale petitie gestart tegen het bursaalsysteem. De communicatie van bestuur naar promovendi verloopt nog heel slecht. Vooral de buitenlandse promovendi lopen tegen heel veel problemen aan. Een universiteitsbrede aanpak is nodig maar dat gebeurt nog niet.’

GW: ‘Er wordt naar aanleiding van een lijst van vragen van PhDoc over het promovendibeleid wel een apart overleg met het college over dit onderwerp gevoerd.

‘We hebben het college er op gewezen dat de voorgestelde deadlines voor de master-aanmeldingen niet zo handig zijn en ondersteunen onze mening met cijfermateriaal. De inschrijfdata worden dan ook heroverwogen.’

JA: ‘We bereiken nooit iets in ons eentje maar Abvakabo is heel vasthoudend geweest in het aanpakken van onderbesteding door faculteiten. De bètafaculteit moet meer geld uitgeven aan extra medewerkers, maar pot dat op voor de aanschaf van meubilair voor het nieuwe bètacomplex. Dat betekent dat het personeel nu harder moet werken om later een mooiere tafel te krijgen. Het college is op ons aandringen gaan praten met het faculteitsbestuur om daar iets aan te doen.

‘We hebben het samen met de andere partijen voor elkaar gekregen dat het loopbaanbeleid voor wetenschappelijk personeel van de universiteit is veranderd. Carrière maken draaide plat gezegd alleen maar om hoeveel geld je als onderzoeker binnen haalde. Goed onderwijs geven, speelde geen rol. Er is nu sprake van beleid voor een onderwijscarrière. Dat hebben we buiten de reguliere agenda om weten te bereiken.’

Waar ligt de komende termijn de nadruk op?

GO: ‘We willen in ieder geval dat interne promovendi medewerkers blijven en niet de status van student krijgen. Verder moet het promovendibeleid niet zomaar van bovenaf opgelegd worden en niet al te vast komen te liggen. De meningen en behoeften van promovendi moeten wel meetellen. Er zijn universiteitsbreed veel verschillen, dus een model met flexibiliteit is nodig. Sommige promovendi willen graag veel onderwijs geven, anderen juist niet.’

GW: ‘De ICT moet beter. De computers liggen er echt veel te vaak uit. De basis is niet in orde.’

JA: ‘Het college voert steeds meer regelingen in die zorgen voor hogere werkdruk. Denk bijvoorbeeld in augustus aan de invoering van het BSA in het tweede jaar. Die stapeling van regelingen in een periode is onwenselijk. De “verbestuurlijking” van de universiteit neemt steeds verder toe. Faculteiten, opleidingen en diensten verschillen echter van elkaar. Het alles willen vastleggen in regels botst soms met de praktijk.’

GO: ‘Het hebben van een model is goed maar afwijken moet wel mogelijk zijn als dat voor een specifiek onderdeel van de universiteit beter is.’

Als bijvoorbeeld om financiële redenen niet al jullie plannen gerealiseerd kunnen worden, wat zou er als eerste sneuvelen?

GW: ‘Dan moeten we terug naar de essentie van de universiteit: Onderwijs en onderzoek. De kaasschaafmethode werkt dan niet meer. Je moet scherpe keuzes durven maken.’

JA: ‘Bezuinig op reclamecampagnes waarvan de effectiviteit toch maar twijfelachtig is. Spreek af met de andere universiteiten dat het circus rond de werving wel wat minder kan.’

GO: ‘Ik heb een hekel aan het woord “rendabel”. We moeten afstappen van de gedachte dat alles wat geen geld oplevert, weg moet. Dat is niet de essentie van een universiteit. Kijk universiteitsbreed hoe opleidingen elkaar zonodig kunnen steunen. Samen kom je wel tot een oplossing.’

Op dinsdag 13 mei staan de lijsttrekkers weer tegenover elkaar tijdens het Leids Onderwijsdebat. Dan discussiëren ze over vrouwen in topfuncties op de universiteit, het aantal opleidingsplaatsen in vergelijking met de arbeidsmarkt en Engels als voertaal voor alle bacheloropleidingen. Het debat begint om 17.00 uur in het Groot Auditorium in het Academiegebouw.

Studenten en universiteitsmedewerkers kunnen tussen 12 mei (9.00 uur) en 16 mei (16.00 uur) hun stem uitbrengen via internet, met hun ULCN-account. Iedereen ontvangt hiervoor per e-mail een oproep. Op 27 mei wordt de uitslag bekend gemaakt.

Dit bericht werd gepubliceerd in universiteitskrant Mare, op 8 mei 2014

‘Behoud tijdelijke contracten PhDs’

De Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat de duur en aard van tijdelijke contracten gaat beperken. Toch blijven er waarschijnlijk mogelijkheden bestaan om promovendi na vier jaar opnieuw een tijdelijk contract aan te bieden.

Dat zegt de Vereniging van Universiteiten VSNU. De VSNU pleitte eerder in een brief aan de Tweede Kamercommissie voor het behoud van ruime mogelijkheden bij het aangaan van tijdelijke contracten. ‘Na vier jaar is slechts tien procent van de promovendi daadwerkelijk gepromoveerd. Het zou niet wenselijk zijn om de overige negentig procent een vast dienstverband te moeten aanbieden’, zegt VSNU-woordvoerder Bastiaan Verweij. ‘Vergelijkbare problemen doen zich voor bij onderzoekers die ingehuurd worden voor wetenschappelijke projecten met een financiering van vier jaar.’

—-
Van www.mareonline.nl
—-logo Mare————————————

Als het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer heen komt, mogen drie contracten voor bepaalde tijd in de toekomst maximaal een periode van twee jaar bestrijken. Op dit moment geldt nog een maximale periode van drie jaar. Uitzonderingen kunnen in de cao gefaciliteerd worden.

‘We zijn blij dat er voor promovendi waarschijnlijk weer zo’n uitzondering gemaakt wordt, maar het is nog niet zeker of deze alleen in bijzondere gevallen (bij uitloop door ziekte of zwangerschap bijvoorbeeld), of in alle gevallen gaat gelden. Het is ook nog onduidelijk wat de wetswijziging verder voor onze sector gaat betekenen’, zegt Verweij. Eerder deze maand klaagden wetenschappers in de landelijke media over ‘het gesjoemel met tijdelijke contracten’ bij universiteiten. Volgens de VSNU moet de nieuwe wet werknemers hier in verdere mate tegen gaan beschermen. Verweij: ‘Maar we moeten wel oog houden voor het universitaire systeem.’

Dit bericht werd gepubliceerd op de website van Mare, op 27 februari 2014

Verplichte vakken voor promovendi

De Universiteit Leiden gaat een aantal verplichte cursussen invoeren voor promovendi.

Dat zegt de woordvoerder van de Universiteit Leiden, Caroline van Overbeeke. Cursussen als ‘academisch schrijven’ en ‘projectmanagement’ kunnen promovendi helpen om hun onderzoek en proefschrift sneller af te ronden.

Vorige week trok het Promotie Netwerk Nederland (PNN) nog aan de bel, omdat promovendi hun proefschrift zelden binnen vier jaar af zouden hebben, terwijl zij maar vier jaar betaald krijgen. Promovendi zouden daarom moeten interen op hun eigen spaargeld, of moeten liegen om een uitkering te krijgen. Leidse promovendi doen gemiddeld 5,6 jaar over hun promotie.

—-
Van www.mareonline.nl
—-logo Mare————————————

Van Overbeeke denkt niet dat het om een beleidsprobleem gaat. ‘Er zijn immers ook genoeg promovendi die het wel gewoon in vier jaar af weten te ronden.’ De bovengenoemde cursussen worden overigens al aangeboden, maar deelname was tot nu toe vrijwillig. De universiteit wil de verplichte cursussen dit jaar nog invoeren.

Dit bericht werd gepubliceerd op de website van Mare, op 6 februari 2014

Promotiebonus lijkt weinig invloed te hebben

Zijn universiteiten inderdaad promotiefabrieken geworden? Het lijkt er niet op. Ze nemen minder promovendi aan en de doctorstitel wordt niet sneller verleend dan voorheen.

In de recente kritiek op het functioneren van de wetenschap klinkt ook deze klacht: universiteiten laten te veel mensen promoveren en dat komt doordat ze per proefschrift negentigduizend euro krijgen. Het zou een perverse prikkel zijn: hoe meer proefschriften, hoe rijker de universiteit.

“Je ziet dat er door het systeem maar zelden dissertaties afgekeurd worden”, zei hoogleraar geschiedenis Wijnand Mijnhardt. “Niet omdat afkeuren een klap voor iemands ego is, maar omdat een promotie een faculteit negentigduizend euro oplevert. Sommige faculteiten hebben het financieel moeilijk. En dan is moeilijk uit te leggen dat je een dissertatie afwijst. Het zijn de verkeerde prikkels.”

—-
Van hetpnn.nl
—-logo PNN—-
Het Promovendi Netwerk Nederland is de landelijke belangenorganisatie voor en door promovendi.————————————

Maar de cijfers lijken zijn stelling niet te ondersteunen. Gemiddeld doen promovendi vijf jaar over het afronden van hun proefschrift. Daar is geen verandering in gekomen, blijkt uit tabellen van universiteitenvereniging VSNU. Studenten worden niet sneller naar hun doctoraat geloodst. Promotiebonus of niet, het lijkt de laatste jaren zelfs iets minder goed te gaan. Nog altijd haakt een kwart van de promovendi voortijdig af.

De instroom van nieuwe promovendi ziet er evenmin verdacht uit. Het aantal promovendi steeg al jaren en dat ging door toen voormalig onderwijsminister Ronald Plasterk in 2008 de nieuwe bonus aankondigde. Van een echte breuk lijkt geen sprake. Alleen aan de Universiteit Utrecht, thuisbasis van de verontruste wetenschappers, schoot het aantal nieuwe promovendi heel even omhoog: van 320 naar 512 in twee jaar tijd. Maar vorig jaar waren het er weer 323.

De afgelopen jaren startten er meer onderzoekers dan ooit aan hun promotietraject, maar dat heeft vooral te maken met het aardgas, waar Nederland flink aan verdient. Tussen 2005 en 2010 besteedde het kabinet meevallers uit deze aardgasbaten aan onderzoek en innovatie. Toen hadden de universiteiten opeens extra promotieplaatsen beschikbaar. Vooral de technische en medische vakken breidden toen flink uit.

De nieuwe promotiebonus van Plasterk zou vooral effect moeten hebben in de alfa- en gammawetenschappen. Deze disciplines kregen voorheen veel minder geld per proefschrift, namelijk 37 duizend in plaats van negentigduizend euro. Toch rijzen de taal- en cultuurpromoties nu niet de pan uit.

Misschien komt dat ook doordat de bonus minder eenvoudig werkt dan je zou verwachten. Het geld komt er niet zomaar bij. Als de ene universiteit een promotie extra heeft, krijgt de andere minder geld – en omgekeerd. Universiteiten houden elkaar zo’n beetje in evenwicht.

Dat zit zo. De regering bepaalt hoeveel geld er in totaal naar het wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten gaat. Daar zit het geld voor de promoties al in. Als een universiteit een doctorstitel verleent, ontvangt ze negentigduizend euro en gaat het landelijke budget  met precies dat bedrag omlaag. Als alle universiteiten naar verhouding evenveel promoties afleveren, merken ze dus helemaal niets van de bonus. Wie een keer wat minder promoties heeft, verliest niet bijzonder veel geld.

Toen dit systeem werd bedacht, vreesden critici dat universiteiten zouden gaan concurreren met proefschriften, om maar zoveel mogelijk geld binnen te halen. Dat blijkt uiteindelijk wel mee te vallen.

Dit bericht, gepubliceerd op 4 december 2013, is overgenomen van de website van PNN.

PNN: laat potentiele promotiestudent zelf kiezen

Dit bericht, gepubliceerd op 2 december 2013, is overgenomen van de website van PNN. Click here for an English version.

Sinds de aankondiging van Minister Bussemaker in januari 2013 dat er op beperkte schaal geëxperimenteerd zou worden met promotiestudenten is er veel onduidelijk gebleven over hoe dit experiment eruit zal gaan zien, wat de omvang zal zijn en hoe lang het zal duren. Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) heeft daarom een overzicht gemaakt met daarin een uitgebreide weergave van recente ontwikkelingen, de huidige stand van zaken en het standpunt van het PNN aangaande het geplande experiment.

In het verleden heeft het PNN zich keer op keer sterk gemaakt voor het behouden van de werknemersstatus van promovendi. Het PNN heeft haar bedenkingen over het invoeren van promotiestudenten kenbaar gemaakt in bijvoorbeeld het Charter bursalen (2006) en het position paper Bursalen en afwijkende aanstellingsvormen (2010).

—-
Van hetpnn.nl
—-logo PNN—-
Het Promovendi Netwerk Nederland is de landelijke belangenorganisatie voor en door promovendi.————————————

Enkele nadelen die het PNN noemt zijn: de wetenschappelijke output zal afnemen door een dalende promotiebereidheid, het risico bestaat dat door het vergrote aantal promovendi de begeleiding zal verslechteren en bursalen die geen onderwijs mogen geven hebben slechtere carrièreperspectieven.

De Actiegroep Promotiestudent uit Leiden heeft op 30 september 2013 een petitie gelanceerd tegen het experiment. Omdat de Actiegroep Promotiestudent een aanzienlijke groep promovendi vertegenwoordigt en omdat het PNN de zorgen van de actiegroep deelt, steunt het PNN hun petitie. Op het moment van schrijven is de petitie meer dan 2.000 keer ondertekend.

De stand van zaken

De Colleges van Bestuur van de universiteiten hebben een verzoek ontvangen van de VSNU met de vraag of zij eventueel aan het experiment mee zouden willen doen en zo ja, met hoeveel promovendi per universiteit. Daarnaast werd hen gevraagd of ze een plan in wilden sturen voor de inrichting van het experiment.

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt nu aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die het experiment wettelijk mogelijk zal maken en waarin wordt opgenomen hoe het experiment zal worden vormgegeven en hoe de deelname door universiteiten wordt geregeld. De AMvB zal bij de Eerste en Tweede Kamer worden voorgehangen. Het experiment zal van start gaan zodra de AMvB van kracht is en duidelijk is hoe het experiment wordt vormgegeven en welke universiteiten mee kunnen doen.

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap spreekt over een experiment met promotiestudenten op beperkte schaal. Het experiment zal vijf of zes jaar duren. Universiteiten mogen zelf input leveren over hoe zij vorm willen geven aan het experiment. Door verschillende kleine deelexperimenten te starten hoopt de VSNU de zorgen van de Raad van State weg te kunnen nemen.

Standpunt PNN

Het PNN ziet significante nadelen in het mogelijk maken van een aanstelling als promotiestudent, maar is niet categorisch tegen een experiment. Het kan zinvol zijn om zorgvuldig te onderzoeken of het toevoegen van een status als promotiestudent inderdaad voordelen oplevert die opwegen tegen de negatieve neveneffecten. Het PNN maakt zich zorgen over de mogelijke verdringing van werknemerspromovendi door promotiestudenten en over het gebrek aan de mogelijkheid voor promotiestudenten om onderwijservaring op te kunnen doen.

Daarnaast zijn er aspecten van het experiment zelf waar het PNN aanbevelingen over heeft. Een experiment kan alleen een echt experiment zijn indien er duidelijke vooraf vastgestelde doelen en succescriteria worden geformuleerd. Zonder heldere doelen en succescriteria ontstaat een situatie waarin op arbitraire wijze bepaald kan worden of het experiment geslaagd is. Het PNN raadt aan na twee jaar tussentijds te evalueren, omdat dan hoogstwaarschijnlijk al veel praktische problemen aan het licht zijn gekomen.

Samenvattend pleit het PNN ervoor dat:

  • promovendi voor elke promotieplaats die voor het experiment in aanmerking komt de keuze krijgen tussen een werknemersaanstelling en een status als promotiestudent;
  • vooraf niet alleen op landelijk, maar ook op lokaal niveau vastgelegd wordt wat het maximale aantal promotiestudenten ten opzichte van werknemerspromovendi zal zijn;
  • promotiestudenten, net als werknemerspromovendi, de mogelijkheid krijgen om onderwijservaring op te doen;
  • promotiestudenten een vergoeding krijgen die in verhouding staat tot het salaris van werknemerspromovendi, zodat zij qua beloning niet voor hen onder doen;
  • er voor het experiment duidelijke, vooraf vastgestelde doelen en succescriteria betreffende zaken als de promotieduur, het promotierendement, de ervaren kwaliteit van begeleiding, de positie op de arbeidsmarkt na het promoveren en de wetenschappelijke output worden geformuleerd;
  • er twee jaar na de start van het experiment tussentijds wordt geëvalueerd.

Alleen als het experiment op deze wijze wordt uitgevoerd, is er sprake van een eerlijke en objectieve beoordeling van de wenselijkheid van een bursalenstelsel in Nederland.

Het overzicht met de achtergronden en het standpunt van het PNN kan gedownload worden via deze link: http://www.hetpnn.nl/files/Standpunt-PNN-promotiestudenten-Dec-2013.pdf

 

Tweeduizend handtekeningen tegen degradatie promovendus tot student

Er staan meer dan tweeduizend namen onder een petitie tegen het bursalenstelsel. De ondertekenaars willen dat promovendi werknemers blijven en niet tot studenten worden gedegradeerd.

Hahn

—-
Van advalvas.vu.nl
—-logo Advalvas—-
Advalvas is het onafhankelijk platform van de Vrije Universiteit Amsterdam.
————————————

Volgens de Leidse Actiegroep Promotiestudent zou het een zware slag voor de Nederlandse wetenschap zijn als promovendi niet langer een salaris krijgen, maar een studiebeurs. “Promovendi worden hier voor vol aangezien, en dat trekt talent van over de hele wereld aan. Waarom zou je dat veranderen?”, aldus initiatiefnemer Linda Bleijenberg, promovendus aan de Universiteit Leiden.

Experimenteren met promotiestudenten

Sommige universiteiten geven de voorkeur aan goedkope promotiestudenten met een studiebeurs boven dure werknemer-promovendi met een salaris, sociale premies en loonbelasting. Maar tot voor kort floot de rechter universiteiten terug die promovendi als studenten aanstelden. Het kabinet van VVD en PvdA wilde de promotiestudent aanvankelijk mogelijk maken, maar zag daar vanaf na kritiek van de Raad van State. Minister Bussemaker wil eerst experimenteren met promotiestudenten.

Paper met voorstellen

Het Promovendi Netwerk Nederland, dat de petitie van de Leidse actiegroep steunt, verzet zich niet tegen dit experiment, maar plaatst er wel kanttekeningen bij. “Als we gaan experimenteren, dan moeten we dat op een verantwoorde wijze doen”, zegt voorzitter Patrick Tuijp. “Er is alleen sprake van een experiment als er doelen en succescriteria worden geformuleerd. Anders kun je niet objectief bepalen of het experiment geslaagd is.”Vandaag heeft het PNN een paper verspreid met voorstellen. Promovendi die voor het experiment in aanmerking komen, zouden de keuze moeten krijgen tussen een werknemersaanstelling en een status als promotiestudent. Promotiestudenten zouden bovendien een vergoeding moeten krijgen die in verhouding staat tot het salaris van werknemerpromovendi, zodat ze “qua beloning niet voor hen onderdoen”.

Dit bericht werd gepubliceerd op de website van Advalvas, op 2 december 2013

Rutger Bregman over de promovendifabriek

Het aantal mensen dat promoveert aan een universiteit is in tien jaar tijd flink gegroeid. Geen wonder. Iedere bul levert in totaal 93.000 euro aan overheidssubsidie op. Maar een wetenschappelijke carrière zit er meestal niet in: voor 80 procent is er uiteindelijk geen plek op de universiteit. Hebben we een promovendi-overschot?

Promovendifabriek

—-
Van decorrespondent.nl
—-Correspondent—-
Rutger Bregman schrijft over de academische wereld voor De Correspondent————————————

Het is een stille revolutie geweest. In 2003 ontvingen iets meer dan 2.500 onderzoekers de doctorstitel. Nu, tien jaar later, zijn dat er meer dan 4.000. Bijna 9.000 promovendi vormen meer dan de helft van het aantal onderzoekers aan de Nederlandse universiteiten. In onderzoeksscholen wordt het meeste werk al door promovendi verricht. Het aantal publicaties is daardoor ‘met sprongen omhoog gegaan,’ schrijft de Raad van State.

De onbetwiste koploper? Dat is de faculteit geneeskunde. Ging het in 1990 nog om 471 medische dissertaties, in 2011 waren het er al 1.329. Sommige hoogleraren geneeskunde leveren over hun hele carrière meer dan honderd promovendi af. Een beetje academisch ziekenhuis heeft er meer dan 1.000 in dienst. ‘Vooral de levenswetenschappen zijn verworden tot een “promovendifabriek”,’ schrijven vier wetenschappers in een recent verschenen manifest. ‘Promovendi en postdocs doen de bulk van het werk, echter zonder veel carrièreperspectief. Maar van hun begeleiders zullen ze dat niet horen, want die willen hun goedkope krachten.’

Een wetenschappelijke vervolgcarrière zit er meestal niet in. 80 procent van alle promovendi wil aan de universiteit blijven, maar voor 80 procent is er uiteindelijk geen plek. 70 procent verlaat de universiteit zelfs direct na de promotie. Het is erg moeilijk voor jonge onderzoekers om een beurs binnen te halen – de slagingskans voor de Nederlandse VENI-beurs ligt op nog geen 17 procent; de kans op een Europese ‘Starting Grant’ is slechts 10 procent.

De doctors die doorgaan in de wetenschap moeten het vaak doen met een opeenstapeling van tijdelijke contracten. Bijna nergens is het flexwerk zo in opmars als aan de academie. Zelfs los van de promovendi is het aantal wetenschappers met een tijdelijk contract verdubbeld sinds 1999, van 23 naar 41 procent. Inclusief promovendi beslaat het aantal werknemers met een flexcontract maar liefst 61 procent van alle wetenschappers.

Ter vergelijking: over de gehele beroepsbevolking is dat slechts 30 procent.

De promotiebonus

En wat dan nog?

Het is een goede zaak dat het aantal promovendi zo sterk is toegenomen, vindt de Vereniging van Universiteiten (VSNU). ‘Wat betreft het aantal promovendi blijft Nederland internationaal gezien achterlopen,’ reageert een woordvoerder. Met 1,6 gepromoveerden per 1.000 jongeren zit Nederland maar iets boven het Europese gemiddelde. Dat is meer dan de VS en Japan, maar minder dan Engeland en Duitsland. We maken, kortom, een inhaalslag.

Of speelt er nog iets anders mee? Geld, wellicht. Jaarlijks gaat er bijna 350 miljoen euro om in de dissertatie-business. Iedere bul ‘voorzien van het groot zegel der universiteit’ levert 93.000 euro aan overheidssubsidie op. In 2003 was de promotiebonus voor een ‘laag bekostigd wetenschapsgebied’ (geesteswetenschappen bijvoorbeeld) daar nog maar een kwart van. Voor de meeste bètastudies was het de helft.

Niet zo gek dus, zou je zeggen, dat het aantal promoties is geëxplodeerd. Concurreren op het aantal promoties is een must, omdat de promotiebonus wordt uitgekeerd met een verdeelsleutel. Meer promoties in Groningen betekent minder budget in Tilburg. 

Traditioneel staat er vier jaar voor het schrijven van een proefschrift, maar universiteiten experimenteren inmiddels met trajecten van drie, of soms zelfs twee jaar. ‘Ooit was een dissertatie nog een eloquente monografie,’ schrijft Rene Bekkers, hoogleraar aan de Vrije Universiteit. ‘Toen ik afstudeerde, was het verworden tot vier verbonden artikelen, geïntroduceerd door een literatuurbespreking, een conclusie en een discussiehoofdstuk. Tegenwoordig bestaat de dissertatie uit drie artikelen, waarvan één literatuurbespreking. Het proces van diploma-inflatie is doorgedrongen tot de doctorstitel.’

De VSNU is het daar niet mee eens. De kwaliteit van proefschriften is ‘onverminderd hoog,’ daar deze altijd gecontroleerd wordt door een onafhankelijke commissie. En het belangrijkste argument: gemiddeld wordt er gewoon nog vijf jaar over een promotie gedaan. Een deel moet dan ook op eigen kosten gebeuren, wat aan luiheid niet kan liggen: overwerk en burn-outs komen relatief vaak voor onder promovendi.

Race to the bottom

De grootste innovatie moet nog komen: de promotiestudent. Op dit moment zijn bijna alle promovendi nog werknemers van de universiteit. Ze krijgen een salaris en hebben recht op zwangerschapsverlof, WW, pensioen, vakantiegeld, een eindejaarsuitkering, doorbetaling bij ziekte en een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid.

Als het aan de VSNU ligt, geldt dat straks voor lang niet iedereen meer. In Groningen wordt al een paar jaar geëxperimenteerd met iets goedkopers: promovendi zonder salaris, zonder sociale rechten en zonder eigen werkplek. Deze promotiestudenten moeten officieel zelfs collegegeld betalen, al wordt hen dat weer kwijtgescholden. Wat overblijft, is een beurs van iets meer dan 2.000 euro per maand.  ‘De gedachte is steeds: mensen die hart hebben voor de wetenschap zijn niet geïnteresseerd in arbeidsvoorwaarden,’ verzucht Patrick Tuijp, voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland.

‘Ze proberen dit al twintig jaar,’ vertelt hij in een Amsterdams café. ‘In de jaren negentig zijn er talloze rechtszaken over gevoerd, waarbij de promovendi steeds aan het langste eind trokken.’ Maar nu lijkt het tij te keren. De rechter besliste onlangs in het voordeel van de Universiteit van Groningen: promovendi hoeven niet per se werknemers te zijn. Minister Bussemaker wil het Groningse experiment verder uitbreiden.

In februari gaat er een voorstel naar de Tweede Kamer. Dan mogen er – naar verwachting – honderd promotiestudenten per universiteit worden aangesteld, al gaf Groningen aan dat ze er minstens 250 wil. ‘We krijgen een race to the bottom,’ voorziet Tuijp. ‘Niet alle universiteiten zijn even enthousiast. Maar als er één begint moet de rest wel mee. Goedkope promovendi zijn goud waard.’ Hoogleraren die net een beurs hebben binnengesleept zullen het liefst promotiestudenten aanstellen. Deze zijn niet alleen goedkoper, de studenten mogen ook geen onderwijs geven, waardoor al hun tijd aan onderzoek kan opgaan.

‘Eigenlijk gebeurt dit nu al,’ vertelt Tuijp. ‘Hoogleraren die een promovendus aanstellen en meteen hun onderwijstaak terugschroeven. Het is mijn geld, zeggen ze dan.’ Voor onderzoeksleiders zijn promovendi aantrekkelijke werknemers: ze werken hard en goedkoop. Er vindt dan ook een verschuiving plaats van onderwijs naar onderzoek. In de afgelopen tien jaar is de onderzoeksinzet toegenomen van 15.000 naar 20.000 fte. Over de onderwijsinzet zijn geen precieze cijfers bekend, maar wat we wel weten is dat het totale aantal (docerende) medewerkers veel minder hard steeg.

‘Als docent-onderzoeker met een tijdelijk contract voelt al het onderwijs alsof het ten koste gaat van mezelf,’ schrijft De Correspondent-lid Tjerk Jan Schuitmaker op deze website. ‘Niet omdat ik onderwijs niet leuk vind, integendeel, maar omdat al mijn inspanningen mijn carrière niet verder helpen.’

Het probleem

En toch: ten opzichte van promovendi elders in Europa mogen ze in Nederland niet klagen.

Promovendi worden hier beter betaald en hebben meer zekerheid. Volgens de Raad van State, die vorig jaar tegen de plannen voor de promotiestudent adviseerde, is dat een goede zaak. Promoveren zou anders zijn aantrekkelijkheid verliezen, vooral voor buitenlands talent. De Raad waarschuwde voor een kwaliteitsdaling van proefschriften als promovendi alleen nog een beurs krijgen.

VSNU draait die redenering om: omdat de promotiebeurs in het buitenland al gangbaar is, is deze belangrijk voor een ‘goede internationale aansluiting’. Sterker nog, ‘het concept promotiestudent biedt de student meer invloed op de onderwerpkeuze en invulling van het promotietraject, wat talentvolle studenten aanspreekt.’ Ondertussen beloven universiteiten in hun ‘prestatieafspraken’ het aantal promovendi nog verder op te hogen.

De grote vraag luidt: is dat erg? Zijn er te veel promovendi, of kunnen we er niet genoeg van krijgen?

Als ik het Tuijp vraag, peinst hij even. ‘Nee, ik geloof niet dat er te veel zijn. Uiteindelijk komen ze wel aan de bak, maar het moeten er niet veel meer worden.’ De meesten vinden dan wel geen plek binnen de wetenschap, toch is de werkloosheid onder doctors erg laag. Veel promovendi verlaten de universiteit, maar de meesten zeggen dat hun huidige werk in ieder geval iets te maken heeft met hun werk als promovendus (58 procent ‘sterk,’ 30 procent ‘deels’).

Hoe het ook zij, Tuijp vermoedt dat de trend voorlopig niet zal worden gekeerd. Het aantal promovendi zal blijven stijgen. ‘De universiteiten en de overheid willen allebei heel graag dat die promotiestudent er komt. Het lijkt me een kwestie van tijd.’

Dit bericht is overgenomen van de website decorrespondent.nl.