Category Archives: Loopbaan

An update from PhDoc

It’s been a while since you’ve heard from PhDoc. We’ve been very busy since we were elected and would like to give an update of what we’ve accomplished the last few months. PhDoc is the political party representing PhD candidates in the University Council. Of course we’re not the only people trying to give a voice to PhD candidates and we are also constantly in contact with LEO and LAP, the two representative groups for PhD candidates at Leiden University and LUMC respectively.

PhD Candidates: four categories

We’ve found out that the university distinguishes four categories of PhD candidates in Leiden and not all of these groups are well-known or well-represented in the university and faculty councils. Group 1 PhDs are employed by the university and their primary task is the PhD (internal PhDs/AIO’s). Group 2 PhDs are not employed by the university but receive a grant and their primary task is the PhD (contract PhDs). Group 3 PhDs are employed by the university but their primary task is not the PhD. Group 4 PhDs are not employed by the university and their primary task is not the PhD (external PhDs). Groups 1 and 3 are able to vote and be elected for the university and faculty councils. Groups 2 and 4 are currently not able to vote or be elected. We have argued to allow Group 2 PhDs to vote and be elected for the councils and are hoping that this will be possible for the coming university and faculty council elections. We have also made enquiries on how PhDs from LUMC or Campus The Hague are represented. Both Campus The Hague and LUMC are faculties of Leiden University, but LUMC has its own governing and co-determination structure. The PhDs of Campus The Hague are officially represented in the councils of Leiden University, but the PhDs of LUMC are officially represented in the Works Council of LUMC and also by LAP in contact with the dean of LUMC.

PhDs in the university policy

One of the main recent agenda points of the university council has been the future long-term plans of the university, the Instellingsplan. In this plan, the university board puts forward their plans for the coming five years and their vision on the years after that. We have ensured that PhDs/postdocs are taken into account in the plan and we will be actively involved in the implementation of the plan with respect to PhDs and the drafting of new PhD policies. We have also argued for better preparation on work and life after the PhD (is there life after your PhD? Yes, there is ;-)). There are now courses in career counseling for PhDs and we have proposed other options for preparing PhDs on work outside academia such as teaching, internships, and better links with industry and government. We are finally pushing for an independent report on (improving) career development for PhDs/postdocs and hope this report will be initiated in the coming term.

‘Healthy PhDs’

We have also focused on the well-being of PhDs. The focus should be on your research, not on any side business. We believe PhDs should have the option of gaining teaching experience, but this should not negatively influence their research. If you would like to have education tasks, you should be able to do that up to a maximum of 20% of your time. We have also discussed ‘werkdruk’, the high workload and pressure on PhDs, with the university board and they have acknowledged the problem and are looking for solutions. If you have any ideas to decrease workload, please share them with us!

Bursary Experiment

For the coming months, we will also focus on the proposed government experiment to allow some universities to legally have PhDs who are not employees receiving a wage (employee PhD system), but are students receiving a grant (bursary PhD system). We have consistently argued, alongside the PhD Candidates Network of the Netherlands (PNN) and several of the main Dutch labour Unions (such as FNV and VAWO), that PhDs are and should not be considered students, but employees who actively contribute to the main tasks of the university, research and education. We are strongly against this experiment and the introduction of the bursary system in the Netherlands are actively campaigning against this on both a university level and on a national level. We are currently in discussion with various PhD organisations around the Netherlands as well as the PhD Association of the Netherlands (PNN) on this matter. More info on that will follow very soon and we will be looking for support from you!

Contact us!

Our focus remains on both PhDs and post-docs and their well-being. If you run into anything, have a good idea or just want to share a thought or good practices, please share this with us. We greatly appreciate that. In the meantime, please keep on following us on facebook < https://www.facebook.com/PhDoc > and Twitter < @PhDocUniv > where we post updates more regularly.

Gareth O’Neill & Jantine Brussee

Advertisements

Rutger Bregman over de promovendifabriek

Het aantal mensen dat promoveert aan een universiteit is in tien jaar tijd flink gegroeid. Geen wonder. Iedere bul levert in totaal 93.000 euro aan overheidssubsidie op. Maar een wetenschappelijke carrière zit er meestal niet in: voor 80 procent is er uiteindelijk geen plek op de universiteit. Hebben we een promovendi-overschot?

Promovendifabriek

—-
Van decorrespondent.nl
—-Correspondent—-
Rutger Bregman schrijft over de academische wereld voor De Correspondent————————————

Het is een stille revolutie geweest. In 2003 ontvingen iets meer dan 2.500 onderzoekers de doctorstitel. Nu, tien jaar later, zijn dat er meer dan 4.000. Bijna 9.000 promovendi vormen meer dan de helft van het aantal onderzoekers aan de Nederlandse universiteiten. In onderzoeksscholen wordt het meeste werk al door promovendi verricht. Het aantal publicaties is daardoor ‘met sprongen omhoog gegaan,’ schrijft de Raad van State.

De onbetwiste koploper? Dat is de faculteit geneeskunde. Ging het in 1990 nog om 471 medische dissertaties, in 2011 waren het er al 1.329. Sommige hoogleraren geneeskunde leveren over hun hele carrière meer dan honderd promovendi af. Een beetje academisch ziekenhuis heeft er meer dan 1.000 in dienst. ‘Vooral de levenswetenschappen zijn verworden tot een “promovendifabriek”,’ schrijven vier wetenschappers in een recent verschenen manifest. ‘Promovendi en postdocs doen de bulk van het werk, echter zonder veel carrièreperspectief. Maar van hun begeleiders zullen ze dat niet horen, want die willen hun goedkope krachten.’

Een wetenschappelijke vervolgcarrière zit er meestal niet in. 80 procent van alle promovendi wil aan de universiteit blijven, maar voor 80 procent is er uiteindelijk geen plek. 70 procent verlaat de universiteit zelfs direct na de promotie. Het is erg moeilijk voor jonge onderzoekers om een beurs binnen te halen – de slagingskans voor de Nederlandse VENI-beurs ligt op nog geen 17 procent; de kans op een Europese ‘Starting Grant’ is slechts 10 procent.

De doctors die doorgaan in de wetenschap moeten het vaak doen met een opeenstapeling van tijdelijke contracten. Bijna nergens is het flexwerk zo in opmars als aan de academie. Zelfs los van de promovendi is het aantal wetenschappers met een tijdelijk contract verdubbeld sinds 1999, van 23 naar 41 procent. Inclusief promovendi beslaat het aantal werknemers met een flexcontract maar liefst 61 procent van alle wetenschappers.

Ter vergelijking: over de gehele beroepsbevolking is dat slechts 30 procent.

De promotiebonus

En wat dan nog?

Het is een goede zaak dat het aantal promovendi zo sterk is toegenomen, vindt de Vereniging van Universiteiten (VSNU). ‘Wat betreft het aantal promovendi blijft Nederland internationaal gezien achterlopen,’ reageert een woordvoerder. Met 1,6 gepromoveerden per 1.000 jongeren zit Nederland maar iets boven het Europese gemiddelde. Dat is meer dan de VS en Japan, maar minder dan Engeland en Duitsland. We maken, kortom, een inhaalslag.

Of speelt er nog iets anders mee? Geld, wellicht. Jaarlijks gaat er bijna 350 miljoen euro om in de dissertatie-business. Iedere bul ‘voorzien van het groot zegel der universiteit’ levert 93.000 euro aan overheidssubsidie op. In 2003 was de promotiebonus voor een ‘laag bekostigd wetenschapsgebied’ (geesteswetenschappen bijvoorbeeld) daar nog maar een kwart van. Voor de meeste bètastudies was het de helft.

Niet zo gek dus, zou je zeggen, dat het aantal promoties is geëxplodeerd. Concurreren op het aantal promoties is een must, omdat de promotiebonus wordt uitgekeerd met een verdeelsleutel. Meer promoties in Groningen betekent minder budget in Tilburg. 

Traditioneel staat er vier jaar voor het schrijven van een proefschrift, maar universiteiten experimenteren inmiddels met trajecten van drie, of soms zelfs twee jaar. ‘Ooit was een dissertatie nog een eloquente monografie,’ schrijft Rene Bekkers, hoogleraar aan de Vrije Universiteit. ‘Toen ik afstudeerde, was het verworden tot vier verbonden artikelen, geïntroduceerd door een literatuurbespreking, een conclusie en een discussiehoofdstuk. Tegenwoordig bestaat de dissertatie uit drie artikelen, waarvan één literatuurbespreking. Het proces van diploma-inflatie is doorgedrongen tot de doctorstitel.’

De VSNU is het daar niet mee eens. De kwaliteit van proefschriften is ‘onverminderd hoog,’ daar deze altijd gecontroleerd wordt door een onafhankelijke commissie. En het belangrijkste argument: gemiddeld wordt er gewoon nog vijf jaar over een promotie gedaan. Een deel moet dan ook op eigen kosten gebeuren, wat aan luiheid niet kan liggen: overwerk en burn-outs komen relatief vaak voor onder promovendi.

Race to the bottom

De grootste innovatie moet nog komen: de promotiestudent. Op dit moment zijn bijna alle promovendi nog werknemers van de universiteit. Ze krijgen een salaris en hebben recht op zwangerschapsverlof, WW, pensioen, vakantiegeld, een eindejaarsuitkering, doorbetaling bij ziekte en een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid.

Als het aan de VSNU ligt, geldt dat straks voor lang niet iedereen meer. In Groningen wordt al een paar jaar geëxperimenteerd met iets goedkopers: promovendi zonder salaris, zonder sociale rechten en zonder eigen werkplek. Deze promotiestudenten moeten officieel zelfs collegegeld betalen, al wordt hen dat weer kwijtgescholden. Wat overblijft, is een beurs van iets meer dan 2.000 euro per maand.  ‘De gedachte is steeds: mensen die hart hebben voor de wetenschap zijn niet geïnteresseerd in arbeidsvoorwaarden,’ verzucht Patrick Tuijp, voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland.

‘Ze proberen dit al twintig jaar,’ vertelt hij in een Amsterdams café. ‘In de jaren negentig zijn er talloze rechtszaken over gevoerd, waarbij de promovendi steeds aan het langste eind trokken.’ Maar nu lijkt het tij te keren. De rechter besliste onlangs in het voordeel van de Universiteit van Groningen: promovendi hoeven niet per se werknemers te zijn. Minister Bussemaker wil het Groningse experiment verder uitbreiden.

In februari gaat er een voorstel naar de Tweede Kamer. Dan mogen er – naar verwachting – honderd promotiestudenten per universiteit worden aangesteld, al gaf Groningen aan dat ze er minstens 250 wil. ‘We krijgen een race to the bottom,’ voorziet Tuijp. ‘Niet alle universiteiten zijn even enthousiast. Maar als er één begint moet de rest wel mee. Goedkope promovendi zijn goud waard.’ Hoogleraren die net een beurs hebben binnengesleept zullen het liefst promotiestudenten aanstellen. Deze zijn niet alleen goedkoper, de studenten mogen ook geen onderwijs geven, waardoor al hun tijd aan onderzoek kan opgaan.

‘Eigenlijk gebeurt dit nu al,’ vertelt Tuijp. ‘Hoogleraren die een promovendus aanstellen en meteen hun onderwijstaak terugschroeven. Het is mijn geld, zeggen ze dan.’ Voor onderzoeksleiders zijn promovendi aantrekkelijke werknemers: ze werken hard en goedkoop. Er vindt dan ook een verschuiving plaats van onderwijs naar onderzoek. In de afgelopen tien jaar is de onderzoeksinzet toegenomen van 15.000 naar 20.000 fte. Over de onderwijsinzet zijn geen precieze cijfers bekend, maar wat we wel weten is dat het totale aantal (docerende) medewerkers veel minder hard steeg.

‘Als docent-onderzoeker met een tijdelijk contract voelt al het onderwijs alsof het ten koste gaat van mezelf,’ schrijft De Correspondent-lid Tjerk Jan Schuitmaker op deze website. ‘Niet omdat ik onderwijs niet leuk vind, integendeel, maar omdat al mijn inspanningen mijn carrière niet verder helpen.’

Het probleem

En toch: ten opzichte van promovendi elders in Europa mogen ze in Nederland niet klagen.

Promovendi worden hier beter betaald en hebben meer zekerheid. Volgens de Raad van State, die vorig jaar tegen de plannen voor de promotiestudent adviseerde, is dat een goede zaak. Promoveren zou anders zijn aantrekkelijkheid verliezen, vooral voor buitenlands talent. De Raad waarschuwde voor een kwaliteitsdaling van proefschriften als promovendi alleen nog een beurs krijgen.

VSNU draait die redenering om: omdat de promotiebeurs in het buitenland al gangbaar is, is deze belangrijk voor een ‘goede internationale aansluiting’. Sterker nog, ‘het concept promotiestudent biedt de student meer invloed op de onderwerpkeuze en invulling van het promotietraject, wat talentvolle studenten aanspreekt.’ Ondertussen beloven universiteiten in hun ‘prestatieafspraken’ het aantal promovendi nog verder op te hogen.

De grote vraag luidt: is dat erg? Zijn er te veel promovendi, of kunnen we er niet genoeg van krijgen?

Als ik het Tuijp vraag, peinst hij even. ‘Nee, ik geloof niet dat er te veel zijn. Uiteindelijk komen ze wel aan de bak, maar het moeten er niet veel meer worden.’ De meesten vinden dan wel geen plek binnen de wetenschap, toch is de werkloosheid onder doctors erg laag. Veel promovendi verlaten de universiteit, maar de meesten zeggen dat hun huidige werk in ieder geval iets te maken heeft met hun werk als promovendus (58 procent ‘sterk,’ 30 procent ‘deels’).

Hoe het ook zij, Tuijp vermoedt dat de trend voorlopig niet zal worden gekeerd. Het aantal promovendi zal blijven stijgen. ‘De universiteiten en de overheid willen allebei heel graag dat die promotiestudent er komt. Het lijkt me een kwestie van tijd.’

Dit bericht is overgenomen van de website decorrespondent.nl.

Universiteiten besparen geld door promovendi aan te stellen als student

promovendi-zijn-boos

—-
Van nrccarriere.nl
—-logo.nrcnl.nieuws.home————————————

Tot nu toe waren promovendi doorgaans in dienst van de universiteit. Die status komt in gevaar door een experiment met het zogenaamde bursalenstelsel waarbij promovendi een status als student krijgen en een beurs ontvangen. Nijmeegse promovendi voeren actie voor hun collega’s.

Leidse promovendi zijn een petitie gestart tegen het experiment van het ministerie van onderwijs. Ze zien het niet als een experiment maar als een ‘gewiekste manier’ om het bursalenstelsel in te voeren. Een van de initiatiefnemers van de petitie, Jelmer Renema, zegt tegen het Promovendi Netwerk Nederland:“De uitkomst staat al van te voren vast. Promotiestudenten zullen goedkoper lijken, maar in werkelijkheid ondergraaft dit stelsel het wetenschappelijke klimaat waar Nederland om geroemd wordt.”

Promovendi vrezen achterstand door nieuwe regel

Een bursaal kost twee keer minder dan een gewone promovendus. Meer bursalen zou kunnen leiden tot meer promovendi per begeleider en dus ook mindere begeleiding, vrezen de promovendi. Daarnaast genieten promovendi als bijzonder student geen pensioenopbouw, ouderschapsverlof of andere sociale rechten. Ze komen daarmee op verdere achterstand van werkende leeftijdsgenoten, vrezen ze.

Het experiment gaat in februari van start. Op de Radboud Universiteit in Nijmegen wordt niet meegedaan aan het experiment, maar willen de promovendi toch hun steun betuigen aan de collega’s op universiteiten waar dat wel wordt ingevoerd. Maastricht, Groningen en Amsterdam (VU en UvA) juichen het bursalenstelsel toe. Nijmegen, Twente en Wageningen hebben bezwaren.

Ook de Raad van State is tegen het stelsel.

Dit bericht, gepubliceerd op 22 oktober 2013, is overgenomen van de website van het NRC.

Portret van de academicus als Indiana Jones

Hieronder een ingezonden stuk van filosoof Jean Paul Van Bendegem (Centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie, Vrije Universiteit Brussel), gepubliceerd 22 augustus 2013 op DeMorgen.be.

“Om eerlijk te zijn, ik heb al tegen beginnende onderzoekers gezegd dat ik niet zeker weet of ik in de huidige omstandigheden opnieuw zou willen beginnen”, schrijft Jean Paul Van Bendegem.

De oproep van 150 academici, ondertussen is de kaap van 2.000 al gehaald, om na te denken over de huidige wetenschappelijke cultuur komt, wat mij betreft, niets te vroeg (DM 21/8). En, laat er geen twijfel over bestaan, ik heb de petitie ook getekend. Zoals het hoort, is het gros van de ondertekenaars (academisch) jong, wat goed is, maar ouderen ontbreken (gelukkig) niet. Ik beschouw mezelf als zo’n oudere – dit jaar 60 geworden en al meer dan 30 jaar actief in de universitaire wereld – en wat ouderen graag doen is getuigenis afleggen.

—-
Van demorgen.be
—-JeanPaulvanBendegem————————————

Als ik mijn carrière over de jaren heen zou moeten samenvatten in één beeld dan is het dit: ik zie mijzelf als Indiana Jones over een hangbrug lopen, zo ééntje met koorden om je aan vast te houden en plankjes hout om over te lopen, aan een serieus tempo en dat is nodig, want achter mij zie ik één voor één de plankjes verdwijnen. Mijn academische tijd zit er ver op, dus ik mag stellen dat ik de overzijde heb bereikt.

Nu in gewone woorden: ik heb de toestand na mij systematisch moeilijker zien worden. Was het aan het einde van de jaren ’70 nog redelijk eenvoudig om een onderzoeksbeurs te bekomen om een doctoraat voor te bereiden, dan zitten we vandaag – en ik neem het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen als referentie – aan slaagkansen tussen 20 en 24 procent. (Het is zelfs al lager geweest dan 20 procent.)

Waren de kansen om vervolgbeurzen binnen te halen redelijk in de jaren ’80 dan gelden vandaag analoge slaagpercentages tot 25 procent. Waren er nog redelijk wat posities te begeven als prof, dan zie ik vandaag voor somtijds aanstellingen van 10 of 15 procent dertig of veertig (uitstekende!) kandidaten zich aanmelden. Om eerlijk te zijn, ik heb al tegen beginnende onderzoekers gezegd dat ik niet zeker weet of ik in de huidige omstandigheden opnieuw zou willen beginnen. Maar er is meer.

Vandaag wordt iemand die als prof is aangesteld periodiek geëvalueerd op drie vlakken: onderzoek, onderwijs en dienstverlening (zowel binnen als buiten de universiteit). Onderzoek wordt vooral outputgericht gemeten: aantal publicaties op de “juiste” plaatsen en aantal afgeronde doctoraten zijn de hoofdparameters. Onderwijs wordt hoofdzakelijk geëvalueerd aan de hand van studentenbeoordelingen en dienstverlening is een opsomming van de dingen die je doet (voorzitter van een commissie, lezingen voor breed publiek, opiniestukken in de krant).

In principe zijn de drie aspecten gelijkwaardig, in de praktijk komen ze in de volgorde zoals hierboven aangegeven. Onderzoek staat voorop. Nu ben ik als student filosofie gevormd geweest door, onder andere, mensen als Leo Apostel, Jaap Kruithof, Etienne Vermeersch. Allen hebben zij hun carrière lang de gedachte verdedigd dat een academic(us/a) ook een verplichting heeft tegenover de maatschappij.

Ik koester nog steeds deze opvatting, wat betekent dat ik altijd heb geprobeerd om het evenwicht te bewaren tussen de drie gebieden. Bij momenten een niet geringe klus om te klaren, maar tot voor kort leek het te lukken. Hoewel ik durf beweren dat mijn onderzoeksdossier mag bekeken worden (check de website van de VUB om zelf een oordeel te vormen) is het niet van het topniveau dat vandaag wordt gevraagd, zo niet geëist. Dat is ook normaal, want ik heb niet mijn volle tijd aan academisch onderzoek besteed, ik zocht naar het evenwicht tussen de drie.

Atypisch dossier
Recent heb ik mogen meemaken dat in een beoordelingspanel mijn publicatiedossier werd beschouwd als “atypisch”, gegeven de huidige standaarden. Ik heb dan ook geoordeeld dat ik niet meer ten volle kan meespelen en dus ga ik vanaf het komende academiejaar halftijds werken, opdat het vrijgekomen mandaat kan gebruikt worden voor jongere krachten die ik alle sterkte toewens want ze zullen het nodig hebben.

Een hangbrug herstellen is geen simpele klus.

Jonge Vlaamse onderzoekers starten petitie

Onze zuiderburen zijn vandaag een petitie gestart om de wetenschappelijke publicatiedruk onder de aandacht te brengen. Hieronder een toelichting op hun actie, geplaatst op de blog actiegroephogeronderwijs.wordpress.com. Voor een actuele update verwijzen we graag naar de online kranten De Standaard en De Redactie.

De afgelopen jaren is er heel wat kritiek gekomen op de manier waarop academisch onderzoek en onderwijs in Vlaanderen worden gefinancierd, georganiseerd en geëvalueerd.  Steeds komen een aantal onderling gerelateerde klachten terug: een te eenzijdig gebruik door academische en politieke beleidsmakers van kwantitatieve in plaats van kwalitatieve evaluatiecriteria, een overdreven prestatiedruk die te zware eisen oplegt aan jonge onderzoekers (met alle sociale en psychologische gevolgen van dien), de creatie van een bureaucratisch klimaat waarin nauwelijks plaats is voor gedurfd en innovatief onderzoek, een klimaat dat bovendien uitgaat van een cultuur van wantrouwen en een aanslag vormt op de beroepstrots van academici.

Tot nu toe heeft deze kritiek echter weinig gehoor gekregen op beleidsniveau. Met dit initiatief trachten we als (jonge) onderzoekers meer inspraak in het beleid te krijgen door deze vaak al te gefragmenteerde klachten te bundelen, mede-onderzoekers te informeren over het onderzoeks- en onderwijsbeleid en initiatieven tot gezamenlijke actie te coördineren.

U kan dit initiatief momenteel steunen door onze petitie te ondertekenen, of door ons op de hoogte te brengen van nieuwe relevantie artikels en opiniestukken. U kan ons contacteren via het volgende emailadres: actiegroephogeronderwijs@gmail.com.