Category Archives: Rendementsdenken

Promotiebonus lijkt weinig invloed te hebben

Zijn universiteiten inderdaad promotiefabrieken geworden? Het lijkt er niet op. Ze nemen minder promovendi aan en de doctorstitel wordt niet sneller verleend dan voorheen.

In de recente kritiek op het functioneren van de wetenschap klinkt ook deze klacht: universiteiten laten te veel mensen promoveren en dat komt doordat ze per proefschrift negentigduizend euro krijgen. Het zou een perverse prikkel zijn: hoe meer proefschriften, hoe rijker de universiteit.

“Je ziet dat er door het systeem maar zelden dissertaties afgekeurd worden”, zei hoogleraar geschiedenis Wijnand Mijnhardt. “Niet omdat afkeuren een klap voor iemands ego is, maar omdat een promotie een faculteit negentigduizend euro oplevert. Sommige faculteiten hebben het financieel moeilijk. En dan is moeilijk uit te leggen dat je een dissertatie afwijst. Het zijn de verkeerde prikkels.”

—-
Van hetpnn.nl
—-logo PNN—-
Het Promovendi Netwerk Nederland is de landelijke belangenorganisatie voor en door promovendi.————————————

Maar de cijfers lijken zijn stelling niet te ondersteunen. Gemiddeld doen promovendi vijf jaar over het afronden van hun proefschrift. Daar is geen verandering in gekomen, blijkt uit tabellen van universiteitenvereniging VSNU. Studenten worden niet sneller naar hun doctoraat geloodst. Promotiebonus of niet, het lijkt de laatste jaren zelfs iets minder goed te gaan. Nog altijd haakt een kwart van de promovendi voortijdig af.

De instroom van nieuwe promovendi ziet er evenmin verdacht uit. Het aantal promovendi steeg al jaren en dat ging door toen voormalig onderwijsminister Ronald Plasterk in 2008 de nieuwe bonus aankondigde. Van een echte breuk lijkt geen sprake. Alleen aan de Universiteit Utrecht, thuisbasis van de verontruste wetenschappers, schoot het aantal nieuwe promovendi heel even omhoog: van 320 naar 512 in twee jaar tijd. Maar vorig jaar waren het er weer 323.

De afgelopen jaren startten er meer onderzoekers dan ooit aan hun promotietraject, maar dat heeft vooral te maken met het aardgas, waar Nederland flink aan verdient. Tussen 2005 en 2010 besteedde het kabinet meevallers uit deze aardgasbaten aan onderzoek en innovatie. Toen hadden de universiteiten opeens extra promotieplaatsen beschikbaar. Vooral de technische en medische vakken breidden toen flink uit.

De nieuwe promotiebonus van Plasterk zou vooral effect moeten hebben in de alfa- en gammawetenschappen. Deze disciplines kregen voorheen veel minder geld per proefschrift, namelijk 37 duizend in plaats van negentigduizend euro. Toch rijzen de taal- en cultuurpromoties nu niet de pan uit.

Misschien komt dat ook doordat de bonus minder eenvoudig werkt dan je zou verwachten. Het geld komt er niet zomaar bij. Als de ene universiteit een promotie extra heeft, krijgt de andere minder geld – en omgekeerd. Universiteiten houden elkaar zo’n beetje in evenwicht.

Dat zit zo. De regering bepaalt hoeveel geld er in totaal naar het wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten gaat. Daar zit het geld voor de promoties al in. Als een universiteit een doctorstitel verleent, ontvangt ze negentigduizend euro en gaat het landelijke budget  met precies dat bedrag omlaag. Als alle universiteiten naar verhouding evenveel promoties afleveren, merken ze dus helemaal niets van de bonus. Wie een keer wat minder promoties heeft, verliest niet bijzonder veel geld.

Toen dit systeem werd bedacht, vreesden critici dat universiteiten zouden gaan concurreren met proefschriften, om maar zoveel mogelijk geld binnen te halen. Dat blijkt uiteindelijk wel mee te vallen.

Dit bericht, gepubliceerd op 4 december 2013, is overgenomen van de website van PNN.

Rutger Bregman over de promovendifabriek

Het aantal mensen dat promoveert aan een universiteit is in tien jaar tijd flink gegroeid. Geen wonder. Iedere bul levert in totaal 93.000 euro aan overheidssubsidie op. Maar een wetenschappelijke carrière zit er meestal niet in: voor 80 procent is er uiteindelijk geen plek op de universiteit. Hebben we een promovendi-overschot?

Promovendifabriek

—-
Van decorrespondent.nl
—-Correspondent—-
Rutger Bregman schrijft over de academische wereld voor De Correspondent————————————

Het is een stille revolutie geweest. In 2003 ontvingen iets meer dan 2.500 onderzoekers de doctorstitel. Nu, tien jaar later, zijn dat er meer dan 4.000. Bijna 9.000 promovendi vormen meer dan de helft van het aantal onderzoekers aan de Nederlandse universiteiten. In onderzoeksscholen wordt het meeste werk al door promovendi verricht. Het aantal publicaties is daardoor ‘met sprongen omhoog gegaan,’ schrijft de Raad van State.

De onbetwiste koploper? Dat is de faculteit geneeskunde. Ging het in 1990 nog om 471 medische dissertaties, in 2011 waren het er al 1.329. Sommige hoogleraren geneeskunde leveren over hun hele carrière meer dan honderd promovendi af. Een beetje academisch ziekenhuis heeft er meer dan 1.000 in dienst. ‘Vooral de levenswetenschappen zijn verworden tot een “promovendifabriek”,’ schrijven vier wetenschappers in een recent verschenen manifest. ‘Promovendi en postdocs doen de bulk van het werk, echter zonder veel carrièreperspectief. Maar van hun begeleiders zullen ze dat niet horen, want die willen hun goedkope krachten.’

Een wetenschappelijke vervolgcarrière zit er meestal niet in. 80 procent van alle promovendi wil aan de universiteit blijven, maar voor 80 procent is er uiteindelijk geen plek. 70 procent verlaat de universiteit zelfs direct na de promotie. Het is erg moeilijk voor jonge onderzoekers om een beurs binnen te halen – de slagingskans voor de Nederlandse VENI-beurs ligt op nog geen 17 procent; de kans op een Europese ‘Starting Grant’ is slechts 10 procent.

De doctors die doorgaan in de wetenschap moeten het vaak doen met een opeenstapeling van tijdelijke contracten. Bijna nergens is het flexwerk zo in opmars als aan de academie. Zelfs los van de promovendi is het aantal wetenschappers met een tijdelijk contract verdubbeld sinds 1999, van 23 naar 41 procent. Inclusief promovendi beslaat het aantal werknemers met een flexcontract maar liefst 61 procent van alle wetenschappers.

Ter vergelijking: over de gehele beroepsbevolking is dat slechts 30 procent.

De promotiebonus

En wat dan nog?

Het is een goede zaak dat het aantal promovendi zo sterk is toegenomen, vindt de Vereniging van Universiteiten (VSNU). ‘Wat betreft het aantal promovendi blijft Nederland internationaal gezien achterlopen,’ reageert een woordvoerder. Met 1,6 gepromoveerden per 1.000 jongeren zit Nederland maar iets boven het Europese gemiddelde. Dat is meer dan de VS en Japan, maar minder dan Engeland en Duitsland. We maken, kortom, een inhaalslag.

Of speelt er nog iets anders mee? Geld, wellicht. Jaarlijks gaat er bijna 350 miljoen euro om in de dissertatie-business. Iedere bul ‘voorzien van het groot zegel der universiteit’ levert 93.000 euro aan overheidssubsidie op. In 2003 was de promotiebonus voor een ‘laag bekostigd wetenschapsgebied’ (geesteswetenschappen bijvoorbeeld) daar nog maar een kwart van. Voor de meeste bètastudies was het de helft.

Niet zo gek dus, zou je zeggen, dat het aantal promoties is geëxplodeerd. Concurreren op het aantal promoties is een must, omdat de promotiebonus wordt uitgekeerd met een verdeelsleutel. Meer promoties in Groningen betekent minder budget in Tilburg. 

Traditioneel staat er vier jaar voor het schrijven van een proefschrift, maar universiteiten experimenteren inmiddels met trajecten van drie, of soms zelfs twee jaar. ‘Ooit was een dissertatie nog een eloquente monografie,’ schrijft Rene Bekkers, hoogleraar aan de Vrije Universiteit. ‘Toen ik afstudeerde, was het verworden tot vier verbonden artikelen, geïntroduceerd door een literatuurbespreking, een conclusie en een discussiehoofdstuk. Tegenwoordig bestaat de dissertatie uit drie artikelen, waarvan één literatuurbespreking. Het proces van diploma-inflatie is doorgedrongen tot de doctorstitel.’

De VSNU is het daar niet mee eens. De kwaliteit van proefschriften is ‘onverminderd hoog,’ daar deze altijd gecontroleerd wordt door een onafhankelijke commissie. En het belangrijkste argument: gemiddeld wordt er gewoon nog vijf jaar over een promotie gedaan. Een deel moet dan ook op eigen kosten gebeuren, wat aan luiheid niet kan liggen: overwerk en burn-outs komen relatief vaak voor onder promovendi.

Race to the bottom

De grootste innovatie moet nog komen: de promotiestudent. Op dit moment zijn bijna alle promovendi nog werknemers van de universiteit. Ze krijgen een salaris en hebben recht op zwangerschapsverlof, WW, pensioen, vakantiegeld, een eindejaarsuitkering, doorbetaling bij ziekte en een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid.

Als het aan de VSNU ligt, geldt dat straks voor lang niet iedereen meer. In Groningen wordt al een paar jaar geëxperimenteerd met iets goedkopers: promovendi zonder salaris, zonder sociale rechten en zonder eigen werkplek. Deze promotiestudenten moeten officieel zelfs collegegeld betalen, al wordt hen dat weer kwijtgescholden. Wat overblijft, is een beurs van iets meer dan 2.000 euro per maand.  ‘De gedachte is steeds: mensen die hart hebben voor de wetenschap zijn niet geïnteresseerd in arbeidsvoorwaarden,’ verzucht Patrick Tuijp, voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland.

‘Ze proberen dit al twintig jaar,’ vertelt hij in een Amsterdams café. ‘In de jaren negentig zijn er talloze rechtszaken over gevoerd, waarbij de promovendi steeds aan het langste eind trokken.’ Maar nu lijkt het tij te keren. De rechter besliste onlangs in het voordeel van de Universiteit van Groningen: promovendi hoeven niet per se werknemers te zijn. Minister Bussemaker wil het Groningse experiment verder uitbreiden.

In februari gaat er een voorstel naar de Tweede Kamer. Dan mogen er – naar verwachting – honderd promotiestudenten per universiteit worden aangesteld, al gaf Groningen aan dat ze er minstens 250 wil. ‘We krijgen een race to the bottom,’ voorziet Tuijp. ‘Niet alle universiteiten zijn even enthousiast. Maar als er één begint moet de rest wel mee. Goedkope promovendi zijn goud waard.’ Hoogleraren die net een beurs hebben binnengesleept zullen het liefst promotiestudenten aanstellen. Deze zijn niet alleen goedkoper, de studenten mogen ook geen onderwijs geven, waardoor al hun tijd aan onderzoek kan opgaan.

‘Eigenlijk gebeurt dit nu al,’ vertelt Tuijp. ‘Hoogleraren die een promovendus aanstellen en meteen hun onderwijstaak terugschroeven. Het is mijn geld, zeggen ze dan.’ Voor onderzoeksleiders zijn promovendi aantrekkelijke werknemers: ze werken hard en goedkoop. Er vindt dan ook een verschuiving plaats van onderwijs naar onderzoek. In de afgelopen tien jaar is de onderzoeksinzet toegenomen van 15.000 naar 20.000 fte. Over de onderwijsinzet zijn geen precieze cijfers bekend, maar wat we wel weten is dat het totale aantal (docerende) medewerkers veel minder hard steeg.

‘Als docent-onderzoeker met een tijdelijk contract voelt al het onderwijs alsof het ten koste gaat van mezelf,’ schrijft De Correspondent-lid Tjerk Jan Schuitmaker op deze website. ‘Niet omdat ik onderwijs niet leuk vind, integendeel, maar omdat al mijn inspanningen mijn carrière niet verder helpen.’

Het probleem

En toch: ten opzichte van promovendi elders in Europa mogen ze in Nederland niet klagen.

Promovendi worden hier beter betaald en hebben meer zekerheid. Volgens de Raad van State, die vorig jaar tegen de plannen voor de promotiestudent adviseerde, is dat een goede zaak. Promoveren zou anders zijn aantrekkelijkheid verliezen, vooral voor buitenlands talent. De Raad waarschuwde voor een kwaliteitsdaling van proefschriften als promovendi alleen nog een beurs krijgen.

VSNU draait die redenering om: omdat de promotiebeurs in het buitenland al gangbaar is, is deze belangrijk voor een ‘goede internationale aansluiting’. Sterker nog, ‘het concept promotiestudent biedt de student meer invloed op de onderwerpkeuze en invulling van het promotietraject, wat talentvolle studenten aanspreekt.’ Ondertussen beloven universiteiten in hun ‘prestatieafspraken’ het aantal promovendi nog verder op te hogen.

De grote vraag luidt: is dat erg? Zijn er te veel promovendi, of kunnen we er niet genoeg van krijgen?

Als ik het Tuijp vraag, peinst hij even. ‘Nee, ik geloof niet dat er te veel zijn. Uiteindelijk komen ze wel aan de bak, maar het moeten er niet veel meer worden.’ De meesten vinden dan wel geen plek binnen de wetenschap, toch is de werkloosheid onder doctors erg laag. Veel promovendi verlaten de universiteit, maar de meesten zeggen dat hun huidige werk in ieder geval iets te maken heeft met hun werk als promovendus (58 procent ‘sterk,’ 30 procent ‘deels’).

Hoe het ook zij, Tuijp vermoedt dat de trend voorlopig niet zal worden gekeerd. Het aantal promovendi zal blijven stijgen. ‘De universiteiten en de overheid willen allebei heel graag dat die promotiestudent er komt. Het lijkt me een kwestie van tijd.’

Dit bericht is overgenomen van de website decorrespondent.nl.

Portret van de academicus als Indiana Jones

Hieronder een ingezonden stuk van filosoof Jean Paul Van Bendegem (Centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie, Vrije Universiteit Brussel), gepubliceerd 22 augustus 2013 op DeMorgen.be.

“Om eerlijk te zijn, ik heb al tegen beginnende onderzoekers gezegd dat ik niet zeker weet of ik in de huidige omstandigheden opnieuw zou willen beginnen”, schrijft Jean Paul Van Bendegem.

De oproep van 150 academici, ondertussen is de kaap van 2.000 al gehaald, om na te denken over de huidige wetenschappelijke cultuur komt, wat mij betreft, niets te vroeg (DM 21/8). En, laat er geen twijfel over bestaan, ik heb de petitie ook getekend. Zoals het hoort, is het gros van de ondertekenaars (academisch) jong, wat goed is, maar ouderen ontbreken (gelukkig) niet. Ik beschouw mezelf als zo’n oudere – dit jaar 60 geworden en al meer dan 30 jaar actief in de universitaire wereld – en wat ouderen graag doen is getuigenis afleggen.

—-
Van demorgen.be
—-JeanPaulvanBendegem————————————

Als ik mijn carrière over de jaren heen zou moeten samenvatten in één beeld dan is het dit: ik zie mijzelf als Indiana Jones over een hangbrug lopen, zo ééntje met koorden om je aan vast te houden en plankjes hout om over te lopen, aan een serieus tempo en dat is nodig, want achter mij zie ik één voor één de plankjes verdwijnen. Mijn academische tijd zit er ver op, dus ik mag stellen dat ik de overzijde heb bereikt.

Nu in gewone woorden: ik heb de toestand na mij systematisch moeilijker zien worden. Was het aan het einde van de jaren ’70 nog redelijk eenvoudig om een onderzoeksbeurs te bekomen om een doctoraat voor te bereiden, dan zitten we vandaag – en ik neem het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen als referentie – aan slaagkansen tussen 20 en 24 procent. (Het is zelfs al lager geweest dan 20 procent.)

Waren de kansen om vervolgbeurzen binnen te halen redelijk in de jaren ’80 dan gelden vandaag analoge slaagpercentages tot 25 procent. Waren er nog redelijk wat posities te begeven als prof, dan zie ik vandaag voor somtijds aanstellingen van 10 of 15 procent dertig of veertig (uitstekende!) kandidaten zich aanmelden. Om eerlijk te zijn, ik heb al tegen beginnende onderzoekers gezegd dat ik niet zeker weet of ik in de huidige omstandigheden opnieuw zou willen beginnen. Maar er is meer.

Vandaag wordt iemand die als prof is aangesteld periodiek geëvalueerd op drie vlakken: onderzoek, onderwijs en dienstverlening (zowel binnen als buiten de universiteit). Onderzoek wordt vooral outputgericht gemeten: aantal publicaties op de “juiste” plaatsen en aantal afgeronde doctoraten zijn de hoofdparameters. Onderwijs wordt hoofdzakelijk geëvalueerd aan de hand van studentenbeoordelingen en dienstverlening is een opsomming van de dingen die je doet (voorzitter van een commissie, lezingen voor breed publiek, opiniestukken in de krant).

In principe zijn de drie aspecten gelijkwaardig, in de praktijk komen ze in de volgorde zoals hierboven aangegeven. Onderzoek staat voorop. Nu ben ik als student filosofie gevormd geweest door, onder andere, mensen als Leo Apostel, Jaap Kruithof, Etienne Vermeersch. Allen hebben zij hun carrière lang de gedachte verdedigd dat een academic(us/a) ook een verplichting heeft tegenover de maatschappij.

Ik koester nog steeds deze opvatting, wat betekent dat ik altijd heb geprobeerd om het evenwicht te bewaren tussen de drie gebieden. Bij momenten een niet geringe klus om te klaren, maar tot voor kort leek het te lukken. Hoewel ik durf beweren dat mijn onderzoeksdossier mag bekeken worden (check de website van de VUB om zelf een oordeel te vormen) is het niet van het topniveau dat vandaag wordt gevraagd, zo niet geëist. Dat is ook normaal, want ik heb niet mijn volle tijd aan academisch onderzoek besteed, ik zocht naar het evenwicht tussen de drie.

Atypisch dossier
Recent heb ik mogen meemaken dat in een beoordelingspanel mijn publicatiedossier werd beschouwd als “atypisch”, gegeven de huidige standaarden. Ik heb dan ook geoordeeld dat ik niet meer ten volle kan meespelen en dus ga ik vanaf het komende academiejaar halftijds werken, opdat het vrijgekomen mandaat kan gebruikt worden voor jongere krachten die ik alle sterkte toewens want ze zullen het nodig hebben.

Een hangbrug herstellen is geen simpele klus.

Jonge Vlaamse onderzoekers starten petitie

Onze zuiderburen zijn vandaag een petitie gestart om de wetenschappelijke publicatiedruk onder de aandacht te brengen. Hieronder een toelichting op hun actie, geplaatst op de blog actiegroephogeronderwijs.wordpress.com. Voor een actuele update verwijzen we graag naar de online kranten De Standaard en De Redactie.

De afgelopen jaren is er heel wat kritiek gekomen op de manier waarop academisch onderzoek en onderwijs in Vlaanderen worden gefinancierd, georganiseerd en geëvalueerd.  Steeds komen een aantal onderling gerelateerde klachten terug: een te eenzijdig gebruik door academische en politieke beleidsmakers van kwantitatieve in plaats van kwalitatieve evaluatiecriteria, een overdreven prestatiedruk die te zware eisen oplegt aan jonge onderzoekers (met alle sociale en psychologische gevolgen van dien), de creatie van een bureaucratisch klimaat waarin nauwelijks plaats is voor gedurfd en innovatief onderzoek, een klimaat dat bovendien uitgaat van een cultuur van wantrouwen en een aanslag vormt op de beroepstrots van academici.

Tot nu toe heeft deze kritiek echter weinig gehoor gekregen op beleidsniveau. Met dit initiatief trachten we als (jonge) onderzoekers meer inspraak in het beleid te krijgen door deze vaak al te gefragmenteerde klachten te bundelen, mede-onderzoekers te informeren over het onderzoeks- en onderwijsbeleid en initiatieven tot gezamenlijke actie te coördineren.

U kan dit initiatief momenteel steunen door onze petitie te ondertekenen, of door ons op de hoogte te brengen van nieuwe relevantie artikels en opiniestukken. U kan ons contacteren via het volgende emailadres: actiegroephogeronderwijs@gmail.com.

‘Rust, geld en een beetje mazzel: dat is alles wat je nodig hebt’

Hieronder een column van hoogleraar en publicist Ewald Engelen over de voorgenomen Amsterdamse betafusie, gepubliceerd 7 juli 2013 in het Parool onder de titel: ‘Hoe groter de organisatie, hoe hitsiger de bestuurders’

De kogel is door de kerk. Dinsdag maakten VU en Uva bekend hun natuurwetenschappelijke faculteiten te bundelen onder de aansprekende naam ‘Amsterdam Faculty of Science’. Zo ontstaat een megafaculteit van negenduizend studenten, drieduizend werknemers en een budget van € 250 miljoen. Dat is een schaalomvang, aldus het persbericht, ‘die vergelijkbaar is met de beste universiteiten op bètagebied in Europa, zoals het University College London en de Université Pierre et Marie Curie in Parijs’. Met andere woorden: zonder fusie zouden VU en Uva de mondiale slag om mensen, fondsen en andere middelen verliezen. Groot is beter.

—-
Van parool.nl
—-logo_parool————————————
B*llshit. Als je naar de positie van VU en Uva op de QS World University ranglijstjes kijkt, scoort de Uva in de disciplines physica, scheikunde, wiskunde en geologie respectievelijk 89, 133, 139 en ‘nul’ van de beste tweehonderd en de VU respectievelijk ‘nul’, ‘nul’, ‘nul’ en 99. Oftewel: ook zonder fusie scoort de Uva eigenlijk heel redelijk en de VU eigenlijk heel slecht. Nog gekker wordt het als je naar de top tien kijkt. Dan hebben we het over universiteiten als MIT, Harvard, Oxford, Cambridge, Stanford etc. Die zijn stuk voor stuk kleiner tot veel kleiner dan de Uva, laat staan een toekomstige Vuva. Logisch. Wie ook maar een beetje gezond verstand heeft, weet dat kwaliteit en omvang niets met elkaar te maken hebben.

Excellentie gedijt in omgevingen waar academici niet constant worden lastiggevallen met reorganisatieplannen, fusievoornemens, nieuwbouw, verhuizingen of, nog erger, strategische vergezichten. Rust, geld en een beetje mazzel: dat is alles wat je voor academische creativiteit nodig hebt. Vraag het Robbert Dijkgraaf, Ronald Plasterk, Ad Lagendijk, Vincent Icke. Sterker: de ranglijstjes laten zien dat groot en goed elkaar juist bijten. Hoe kleiner de organisatie, hoe minder plannenmakers, hoe dienstbaarder de bestuurders, hoe groter de kans op academisch succes. En omgekeerd: hoe groter de organisatie, hoe hitsiger de bestuurders, hoe wilder de plannen, hoe groter de turbulentie, hoe dieper het georganiseerde wantrouwen, hoe lager het academische peil.

Waarom dan toch deze operettefusie? Gezien de lijstjes en de bestuursperikelen bij de protestanten heeft de VU het meest te winnen bij een fusie. Het riekt naar een vlucht naar voren om de christelijke natuurwetenschappers van het zinkende VU-schip te redden. Maar ik ben bang dat stijgen op die vervloekte lijstjes de ware reden is. Kruis een matige universiteit met een redelijke en je hebt een excellente – dat is de krankzinnige logica van Nederlandse universiteitsbestuurders!

Slow science, duurzame wetenschap of Science 3.0

Hieronder een opiniestuk van de Utrechtse rector Bert van der Zwaan, gepubliceerd 12 juni 2013 in het Digitaal Universiteitsblad DUB.

Waartoe is de universiteit op aard? Rector Bert van de Zwaan wil die discussie gaan voeren. De balans tussen kwantiteit en kwaliteit is volgens hem, mede door de maatschappelijke druk, doorgeschoten.

‘Waardevrije wetenschap bestaat niet.’ Eén van de sweeping statements van Frank Miedema naar aanleiding van twee door KNAW-commissies geproduceerde rapporten over zorgvuldigheid en vertrouwen in de wetenschap. Ik deel deze mening. Als lid respectievelijk deeltijd-lid van beide commissies ben ik al twee jaar intensief bij het debat over integriteit betrokken. Ik waardeer het dan ook zeer dat Miedema zo levendig aan de discussie bijdraagt.

Daarbij merk ik wel op dat hij de genuanceerde boodschap van beide commissies ondergeschikt dreigt te maken aan zijn eigen kernboodschap: wetenschap dient zich open tot de maatschappij te verhouden en daarbij ook te erkennen dat de maatschappij sterke invloed heeft op aard en keuze van het onderzoek. Het lijkt mij goed om ook aan vele andere aspecten van zorgvuldigheid en vertrouwen in wetenschap aandacht te besteden. Als universitaire gemeenschap hebben we grote dilemma’s te bespreken. Om de commissie Algra te parafraseren: ‘wat doen wij eraan om te komen tot afkoeling van het oververhitte universitaire systeem’? Ik wil de komende tijd dit debat graag voeren. Om samen heel concreet te bepalen welke stappen we nemen als universitaire gemeenschap om de goede keuzes te maken. Waar willen we heen met elkaar? Hoe zoeken we uiterst genuanceerd onze weg in de komende periode van transitie van de oververhitte naar duurzame wetenschap, van fast naar slow science, van Science 1.0 naar Science 3.0?

—-
Van dub.uu.nl
—-logo DUB—-
Het Digitaal Universiteitsblad
 DUB is het onafhankelijke medium van de Universiteit Utrecht, gemaakt door een onafhankelijk redactie.
————————————

Ik vind dat onze universiteit dit debat zeer ter harte moet gaan. En dan niet alleen in de context van wetenschappelijke integriteit dat de aanleiding vormde voor de KNAW-rapporten. In mijn inaugurele rede als rector (For the love of science – 2011) gaf ik al aan dat de druk op het systeem van zowel onderwijs als onderzoek leidt tot het te vaak hanteren van productienormen als beslissend over kwaliteit. Veel output is goed, weinig output is slecht. In mijn ogen dienen we ons zorgen te maken over dit dilemma tussen kwaliteit en kwantiteit, maar in het bijzonder over de manier waarop we als universiteit gedwongen lijken om vooral op het laatste te sturen. Mede onder invloed van de overheid is vrijwel het gehele universitaire belonings- en beoordelingssysteem gebaseerd op kwantiteit. Kwaliteit speelt vaak een volgende, in plaats van een leidende rol.

Maar dat is makkelijk geconstateerd, de vraag is wat we eraan doen. Preciezer nog: wat kunnen we of willen we eraan doen gegeven het feit dat we verwikkeld zijn in een scherpe internationale competitie? Als we zijn doorgeschoten in de balans tussen kwaliteit en productie, hoe herstellen we die balans dan zonder dat productie helemaal naar de achtergrond verdwijnt? Het is immers onvermijdelijk dat de maatschappij aan de universiteit vraagt verantwoording af te leggen over hoe effectief we de middelen besteden en welke resultaten dat oplevert.

In al de facetten van de discussie ligt de vraag op tafel waartoe onze universiteit op aarde is. Wat doen we wel en waar nemen we afstand. Om alvast een voorzet te geven: de universiteit is in de eerste plaats op aarde om jonge mensen te trainen om onafhankelijk, vernieuwend onderzoek te kunnen doen. De universiteit is ook op aarde om in alle vrijheid via vernieuwend onderzoek de grenzen van ons weten te verleggen. Dat sluit zeker niet uit, in tegendeel, dat we ons als universiteit ook bezig houden met grote maatschappelijke vragen. Maar erkennend dat er budgettaire grenzen zijn en dat productie belangrijk is, moeten we geen fabriek worden die vooral opdrachten uitvoert voor het bedrijfsleven. Daarbij moeten we ons bijvoorbeeld ook rekenschap geven van het feit dat rankings, waarbij we soms trots zijn op onze hoge plaats, een perverse werking kunnen hebben omdat het allemaal relatief simpele bibliometrie is. En geen (goede) beoordeling van kwaliteit. Kortom, wat is de balans tussen kwaliteit en kwantiteit?

Als College van Bestuur zijn we de afgelopen periode uitgebreid over dit onderwerp in debat gegaan met decanen, hoofden departementen en directeuren. Na de zomer starten er universiteitsbrede debatten (onder andere ontbijtsessies waarbij iedereen kan aanschuiven) over de duurzame universiteit, of slow science, of over Science 3.0 zoals Miedema dat noemt. Ik nodig iedereen van harte uit om daarbij aanwezig te zijn en een bijdrage aan dit belangrijke debat te leveren.

De vermarkting van de Universiteit

Hieronder een ingekorte versie van een artikel dat in de Groene Amsterdammer van 15 mei 2013 verscheen, onder de titel “Uw 5 kost mij 1200 euro.” Hoe de markt huishoudt op de Vrije Universiteit.

Zijn we in de burelen van de managers van een grote bank? Nee, deze steriele kantoortuin is de werkruimte van de faculteit wijsbegeerte van de Vrije Universiteit, na de herinrichting waartoe het universiteitsbestuur heeft besloten. Het werken in de oude kamertjes van de VU-filosofen kon nooit efficiënt zijn, met al die boeken en volgestapelde bureaus. De inrichting kon moderner, doelmatiger en goedkoper. Degene die ’s ochtends een flexplek heeft bemachtigd wordt geacht deze ’s avonds leeggeruimd achter te laten. Rechts¬filosofe Dorien Pessers: ‘Wat je hier ziet is de drang tot disciplinering. Transparantie is het vriendelijke woord voor de wil controle over ons uit te oefenen.’

—-
Cover_Groene_15052013
————————————

Onder de wetenschappelijk medewerkers van de VU is grote weerstand merkbaar tegen de heers- en controlezucht die zij van het college van bestuur ondervinden. Publiekelijk kwam deze onvrede onlangs naar buiten op een protestbijeenkomst van de actiegroep Verontruste VU’ers. Volgens financieel geograaf Ewald Engelen van de UvA staan ook hij en zijn collega’s van de UvA bloot aan een permanent controle- en beoordelingsregime, ten koste van hun professionele autonomie. Dat is een aanwijzing te meer dat de perikelen aan de VU exemplarisch zijn voor wat er gebeurt als het neoliberale model van het new public management met de bijbehorende controledrang greep krijgt op een cultuurdomein als de universiteit.

De Wet Modernisering Universitair Bestuur introduceerde dat managementmodel in de jaren negentig aan de Nederlandse universiteiten, met als leidende gedachte dat het besturen van een wetenschappelijke instelling grosso modo hetzelfde is als dat van een commercieel bedrijf. Van meet af aan deed zich de spanning voelen tussen de uniformering en standaardisering die met dit regime samengaan en de academische praktijk. ‘Het resultaat van wetenschap is moeilijk voorspelbaar en zal voor een manager die alles precies wil kunnen meten wanordelijk ogen’, zegt archeoloog Jan Kolen. ‘Het gaat mis doordat de manager dat wat wél meetbaar is, bijvoorbeeld de geldstroom die het oplevert, als maatstaf voor kwaliteit van onderzoek gaat hanteren.’

De marktlogica van zo hoog mogelijke opbrengsten tegen zo laag mogelijke kosten vertaalde zich in het doel zo veel mogelijk studenten zo snel mogelijk aan een diploma te helpen. Dat regime kan niet zonder strakke beheers- en controlemechanismen, om het maximale uit de organisatie te persen. Omwille van de efficiency en de effectiviteit moet het academische werk zo veel mogelijk meetbaar en onderling vergelijkbaar worden gemaakt. Zo ontstaat als vanzelf een hiërarchische organisatie, met een steeds dikkere laag managers die aan de hand van hun metingen en vergelijkingen het ‘rendement’ van studies in de peiling houden.

‘Wij zijn het hart van de universiteit, lijkt het college van bestuur van zichzelf te zeggen, en het docentenkorps is ons personeel. In feite is het andersom. Zij zijn ons personeel.’ – Jan Kolen

In de dwingende logica van het managersmodel ligt besloten dat een nieuwe pikorde ontstaat, met het bestuur aan de top van de hiërarchie. De hoogleraren en docenten hebben daarin een dienende rol, als uitvoerders van de groeistrategie van het bestuur. ‘Eigenlijk is dat de omgekeerde wereld’, zegt Jan Kolen. ‘Wie moet op de universiteit nu dienstbaar aan wie zijn? Destijds had het bestuur een ondersteunende rol, maar nu lijkt het er eerder op dat het wetenschappelijk personeel het bestuur dient in het halen van zijn doelen. Wij zijn het hart van de universiteit, lijkt het college van bestuur van zichzelf te zeggen, en het docentenkorps is ons personeel. In feite is het andersom. Zij zijn ons personeel.’

Bedoeld of onbedoeld lijkt het controle- en beheerssysteem erop gericht de universitaire gemeenschap te ontrafelen in individuen, om een effectieve controle op ieders presteren mogelijk te maken. Boris Slijper, zegsman van de verontruste VU’ers, geeft een voorbeeld: ‘Aan de UvA hadden wij een onderwijsdirectrice die op een vergadering langskwam met excel-sheets. Dat bleek een overzicht te zijn van de kosten en opbrengsten per vak. Een hoorcollege voor vierhonderd studenten leverde bij wijze van spreken 13.000 euro op, het vak van de heer Slijper met dertien derdejaarsstudenten daarentegen stond 7000 euro in de min. Ik vroeg: “Wat is dit?” Ze zei: “Ja, ik wilde het even helder hebben.”’

‘Ons werk is onderwijs, niet het leveren van diploma’s. Een student die onderwijs volgt heeft niet automatisch recht op een diploma.’ – Boris Slijper

Het management heeft tegenwoordig niet meer zozeer de taak de praktische zaken goed te regelen, als wel de concurrentie binnenshuis te bevorderen. Dat wettigt het vermoeden dat het management doelbewust het ontstaan van een teamgeest in de organisatie, een sfeer van onderling vertrouwen, kameraderie en collegialiteit wil voorkomen. Onderling concurrerende individuen laten zich immers beter controleren dan een onderling loyale gemeenschap. ‘Het laagje dat de continuïteit van de gemeenschap bewaart wordt steeds dunner’, constateert Slijper. ‘Het college van bestuur wil een hoger rendement, dus zet het systematisch druk op het docentenkorps om zoveel mogelijk diploma’s uit te reiken. Studenten zijn de klanten en de klanten zijn koning. Het gaat wringen doordat ons werk onderwijs is, niet het leveren van diploma’s. Een student die onderwijs volgt heeft niet automatisch recht op een diploma.’

Hij beaamt dat het streven naar een slagingspercentage van honderd ligt besloten in het financieringssysteem voor het hoger onderwijs. Hoe groter het aantal afgestudeerden, hoe hoger de overheidsbijdrage. ‘Het systeem zet dus druk op mijn afdeling om zo veel mogelijk geslaagden af te leveren en het zet druk op de student om bij mij te klagen als hij niet slaagt. Eigenlijk is het een uitlokking tot fraude. Het lijkt me wijzer het systeem zo in te richten dat een student niet tegen mij hoeft zeggen: “Uw 5 kost mij twaalf¬duizend euro.” Dan kom je al gauw in de verleiding er wat op te verzinnen.’